Servische intellectuelen zijn niet de bron van het kwaad

“Het pijnlijke is dat het nationalisme in Joegoslavië (...) voortkomt uit stalinistische èn uit intellectuele, verlicht-communistische kring.” Dat schreef Henri Beunders dinsdag in zijn artikel "Een roekeloos initiatief voor Joegoslavië' op de Opiniepagina in deze krant. Hij staaft zijn bewering met de opmerking, dat het in Servië “vooral de intellectuelen rond het blad Praxis” waren die in het midden van de jaren tachtig begonnen te ageren tegen de "genocide' op de Servische minderheid in Kosovo en memoreert, Hugh Poultons boek The Balkans citerend, de genocide-petitie van Servische intellectuelen van 1986. Met instemming haalt Beunders Poulton aan: “Het is bijzonder spijtig dat de Servische intelligentsia zo'n prominente rol heeft gespeeld in het opzwepen van etnische spanningen die politici als Milosevic voor hun eigen doeleinden hebben gebruikt.”

Beunders gebruikt deze informatie over het Servische nationalisme vooral om de vermeende motieven aan te vallen van twee auteurs van recente artikelen in de Volkskrant en NRC Handelsblad over de passieve rol van de Nederlandse vredesbeweging in het Joegoslavische conflict. Het heeft niet zoveel zin, in te gaan op de aard van die vermeende motieven en Beunders' analyse respectievelijk veroordeling daarvan. Het is een aardig maar tamelijk zinloos tijdverdrijf te speculeren over de vraag, uit welke achtergrond iemands motieven voor een bepaald initiatief zijn of zouden kunnen zijn voortgekomen. Wel is daarentegen wel zinvol een paar kanttekeningen te maken bij Beunders' lezing over de rol van de Servische intelligentsia bij de opkomst van het nationalisme. Hij komt al te makkelijk tot de conclusie dat het Servische nationalisme (mede) zijn oorsprong vindt bij de Servische intelligentsia en bij het verlichte communisme van Praxis. Zowel het één als het ander is onjuist: het Servische chauvinisme - het geëxplodeerde nationalisme - komt niet zozeer uit de koker van de Servische intelligentsia en nog minder uit die van het verlichte communisme. Het spruit voor alles voort uit het manipulatieve optreden van de Servische leider Slobodan Milosevic, die het nationalisme heeft misbruikt om zijn politieke legitimiteit te versterken en zijn drang naar overheersing van de Joegoslavische federatie kracht bij te zetten.

Het waren ook, anders dan Beunders stelt, zeker niet “vooral de intellectuelen rond het blad Praxis” die in Servië hebben bijgedragen tot het opzwepen van het nationalisme. Dat kon ook moeilijk, want het marxistische blad Praxis hield in Joegoslavië al in 1975 op te bestaan (in 1980 werd wel een Britse uitgave opgericht). Bovendien werkten er aan Praxis naast Servische ook Kroatische intellectuelen mee. Als er dus Praxis-medewerkers zijn geweest die zich in Servië hebben laten verleiden tot chauvinistische campagnes, dan in elk geval niet allemaal, en ook in elk geval niet àls Praxis-medewerkers.

De explosie van het nationalisme begon met Milosevic: toen hij in 1986 als partijleider van Servië aan de macht kwam, monopoliseerde hij het bestaande ongenoegen in zijn republiek over de vermeende mishandeling van de Servische minderheid in Kosovo voor een populistische campagne zonder weerga, die midden vorig jaar onvermijdelijk en logisch is uitgemond in de huidige bloedige oorlog om Kroatië.

Uitzonderingen daargelaten hebben de meeste spraakmakende Servische intellectuelen - marxisten èn niet-marxisten - toen, in 1986, 1987 en 1988, anders dan Beunders stelt, nog lange tijd hoogst kritisch gestaan tegenover dat door Milosevic opgezweepte en gemanipuleerde nationalisme. De door Beunders gememoreerde "genocide-petitie' doet daar niets aan af. Nog in 1987 en 1988 bestond er onder Servische intellectuelen alom kritiek op en afschuw over het primitieve en gevaarlijke beleid van Milosevic, zijn populisme, zijn stalinistische zuiveringen in eigen kring en bij de media. Baby Face Killer was mateloos populair bij de massa's, hij was dat niet bij de intellectuelen.

Een illustratie vormt het memorandum van de prestigieuze Servische Academie van Wetenschappen van begin oktober 1987, waarin werd gesteld dat Joegoslavië alleen van desintegratie kon worden gered als het communistische systeem - in Servië belichaamd door partijleider Milosevic - fundamenteel zou worden gewijzigd. Dat memorandum werd door de communistische leiding buitengewoon fel aangevallen: het was de eerste openlijke botsing in Serviüe berhaupt tussen het communistische bewind en "de' intellectuelen. Hetzelfde gebeurde kort daarop met de leden van het Comité voor de Verdediging van de Vrijheid van Meningsuiting, die voor democratische hervormingen hadden gepleit. Dat comité bestond uit zeventien illustere intellectuelen, schrijvers, schilders en filosofen - allen Serviërs. Ook het Solidariteitsfonds, een organisatie van intellectuelen voor hulp aan wegens meningsdelicten vervolgde intellectuelen, heeft het met de partij van Slobodan Milosevic nog heel driftig aan de stok gehad.

De (mede-) verantwoordelijkheid van de Servische intellectuelen voor het hoog opgelaaide Servische nationalisme is dus minder eenduidig dan Beunders stelt. In feite kan worden gesteld dat de spraakmakende leden van de Servische intelligentsia zich tot 1988 en 1989 als onafhankelijke en kritische denkers en in veel gevallen als dissidenten hebben gedragen; pas nadien zijn ze in de marge gedrongen. Ze zijn zeker niet de aanzwengelaars van het ultranationalisme geweest die Beunders in hen ziet.

Zelfs nu zijn ze dat niet. Niet voor niets hebben enkele duizenden - volgens sommigen meer dan tienduizend - Servische intellectuelen in de loop van vorig jaar hun land verlaten. Het was voor velen een vlucht uit lijfsbehoud, een vlucht uit angst: de sfeer in Servië liet tot deze maand geen openlijke kritiek op de oorlog tegen Kroatië toe, niet althans van (bekende) intellectuelen: moeders van reservisten mochten wel uiting geven aan hun verzet tegen de oorlog, reservisten ook, maar intellectuelen niet. Zij vluchtten dus. Of zwegen.

Natuurlijk zijn er intellectuelen in Servië die zich voor de nationalistische kar van Slobodan Milosevic hebben laten spannen. Maar het zijn er veel minder dan Beunders suggereert. En vooral: zij zijn niet de bron, de oorsprong van het kwaad van het nationalistische geweld. Het zou dan ook eerlijker zijn geweest als Beunders Poulton volledig had geciteerd en niet enkele van diens nuances had weggelaten omdat hem die in zijn aanval op de twee redacteuren slecht uitkwamen. Poulton schrijft namelijk óók dat het “oneerlijk zou zijn de hele Servische intelligentsia over één kam te scheren” met de twee meest beruchte voorbeelden van extreem-chauvinistische intellectuelen, Vuk Draskovic en Vojislav Seselj.

Poulton schrijft ook dat de intellectuele opposanten van het extreme nationalisme in Servië zijn “gemarginaliseerd”. Gemarginaliseerd - dat wil in dit geval zeggen monddood gemaakt of gevlucht. En dat is iets fundamenteel anders dan wat Beunders beweert als hij, met een uit de context gelicht citaat en een oppervlakkige analyse van de toestand in Servië, wil aantonen dat de beide redacteuren en de aanstichters van het Servische nationalisme uit dezelfde ideologische hoek komen en dat de redacteuren derhalve boter op hun hoofd hebben of hun Vergangenheit niet naar Beunders' goeddunken bewältigen.