Mozart

in flarden damp verliest de avond haar contouren

maar in een koets verovert slaap de stoutste droom

van iemand die zijn vaders koets zo lang bewoonde

dat hij het hof al kent waarheen de reis hem voert

onder hem door stroomt de rivier die alles eist

en krijgt; zij lacht om poeder, pruiken, hermelijn

en plaagt de machtige maar bange kardinaal

bij het pootjebaden in te lange wanen

hels dal dat levenslang een hemelrijk doet hopen

boven de berg waar eeuwigheid wat sneeuw beheert

hoor! langs een kronkelweg naar Wenen lucht zijn wrevel

een bitter hart tegen het rotsoor van de nevel

en met de koets waarin zijn vaders schim verteerde

verdwijnt een page die zichzelf tot keizer kroonde