Meekrap maakt bescheiden rentree in Groningen

ROTTERDAM, 10 JAN. Op een perceel land van akkerbouwer G. Olsder in het Groningse Noordbroek wordt sinds kort weer meekrap geteeld, een plant die vroeger vooral in Zeeland opgang maakte dank zij haar wijdvertakte wortelstelsel, waaruit een kostbare rode kleurstof werd gewonnen. Na 1870 verdween dit gewas van het veld door de synthetische bereiding van de bewuste stof, alizarine, uit koolteer, maar nu beleeft de meekrap daar in Groningen een bescheiden wedergeboorte.

In november jongstleden werden de eerste wortels geoogst en op het ogenblik is men bezig daaraan de alizarine te onttrekken: een proef op laboratoriumschaal, die een nieuwe trend lijkt te zetten. Na het tijdperk van de chemie als bron van onder meer "Turks rood' zou de agrarische wereld wellicht een deel van de markt, die men vooral in de textielnijverheid moet zoeken, kunnen heroveren. Dat is althans de mening van dr. A. Capelle, die samen met vier landbouwers het initiatief nam tot wederinvoering van de meekrapteelt.

Capelle is directeur van de Cebeco-Handelsraad, een grote aan- en verkoopcoöperatie voor land- en tuinbouw met hoofdzetel in Rotterdam. Voordien werkte hij bij de aardappelmeelindustrie AVEBE in Veendam en uit die tijd stamt zijn idee dat bij enkele Groningse boeren in vruchtbare aarde viel. Vijf man sterk vormden ze een mini-coöperatie onder de naam Rubia (naar de Latijnse term voor de meekrap Rubia tinctorum), die zich ten doel stelt teelt en verwerking van het verdwenen cultuurgewas weer op gang te krijgen.

Volgens Capelle heeft het experiment formeel niets met Cebeco van doen en zou hij ook zonder deze professionele binding tot de meekrap zijn "bekeerd'. “Een paar jaar geleden”, vertelt hij, “kreeg ik wat foto's en ander materiaal uit de nalatenschap van mijn familie aan moederskant, Van Vessem, in handen en daaruit bleek dat mijn voorouders zich waarschijnlijk eeuwenlang, maar in elk geval tussen 1800 en 1850, met de verbouw en verwerking van dit gewas tot kleurstof hadden beziggehouden. Dat was op Schouwen-Duiveland bij Bruinisse. De Van Vessems waren goed voor de helft van de Nederlandse produktie, die voornamelijk naar Engeland en Frankrijk werd geëxporteerd.”

Kort na die ontdekking kreeg Capelle van de landbouwvereniging in Zuidbroek het verzoek een voordracht te houden en hij greep die gelegenheid aan om de uitgestorven meekrapteelt verbaal tot leven te wekken. Dat leidde weer tot de oprichting van coöperatie Rubia, die Capelles verhaal weldra in praktijk bracht.

Intussen deed de iniatiefnemer nader onderzoek naar de commerciële mogelijkheden van het plantaardige extract en die studie biedt volgens hem hoopvolle perspectieven. Alizarine uit de meekrapwortel zou niet niet alleen textielbedrijven tot klant kunnen krijgen, maar zich ook lenen als grondstof voor de fotografische en farmaceutische industrie. Capelle: “Ik heb het idee dat we ten opzichte van de synthetisch bereide kleurstof redelijk concurrerend kunnen werken, omdat het chemische proces steeds duurder dreigt te worden door de zuiveringskosten. De zwarte prut die daar overblijft, kun je beter niet in het milieu laten afvloeien.”

Om de meekrap met het synthetische produkt te laten wedijveren, is ook een vergaande mechanisering bij de teelt geboden. Voor de oogst bijvoorbeeld zijn aangepaste rooimachines nodig, omdat de plant tot grote diepte wortelt. “Bovendien”, zegt Capelle, “willen we, om de kosten te drukken, van een driejarig naar een tweejarig gewas. Maar of dat lukt? Karel de Grote zei het al: de beste kleurkracht komt uit de wortel van de driejarige plant. Ja, ook toen bestond de meekrap al in ons land. Waarschijnlijk is de plant vanuit Afghanistan door de Romeinen over Europa verspreid.”

In Nederland kwam het gewas speciaal in Zeeland en Noordwest-Brabant tot bloei. Vooral Schouwen-Duiveland was in vroeger eeuwen een centrum van de meekrapcultuur. Daar stonden de meestoven (meervoud van meestoof, waar de wortels werden gedroogd) dicht bijeen in de dorpen, terwijl de havens profiteerden van de bedrijvigheid die de handel in de kostbare verfstoffen meebracht.

We ontlenen deze gegevens aan het uit 1946 daterend boek "Geschiedenis van den Zeeuwschen Landbouw' van de historicus dr. P.J. Bouman, die uitvoerig verhaalt van de op Schouwen, maar ook op Tholen en beide Bevelanden geteelde meekrap, die als de beste van Europa gold en royaal afzet vond bij de buitenlandse textielnijverheid. Een topjaar was 1815, toen de produktie aan verfstof meer dan 10.000 vaten van elk vijftig kilo vulde.

De Rubia tinctorum werd in Zeeland, anders dan bijvoorbeeld in Frankrijk, niet gezaaid, maar geplant en gedijde het best op sterk bemeste kleigrond. De teelt was een tijdrovende bezigheid, die de inzet van geoefende arbeidskrachten vereiste. Alleen zij wisten de smalle spaden te hanteren om de geel-rood gekleurde wortels ongeschonden boven de grond te krijgen.

Na 1820 beleefde de Zeeuwse meekrap een inzinking door concurrentie van de Fransen, die in het departement Vaucluse aanmerkelijk goedkoper produceerden en met hun artikel de Britse markt penetreerden. Dat duurde tot omstreeks 1850, toen voor de Nederlandse meekrapcultuur een nabloei van twee decennia begon. De prijzen stegen weer, terwijl de teelt voor het eerst ook buiten Zeeland en Brabant wortel schoot. Maar het was een zeer tijdelijke opleving. Na 1870 werden de meekrapvelden successievelijk omgeploegd, omdat er geen droog brood meer mee te verdienen viel. Uitvindingen van Britse en Duitse onderzoekers hadden het gewas de das omgedaan: de veelgevraagde kleurstof was voortaan voordeliger uit koolteer te winnen.

Ruim 120 jaar later pakken Capelle en zijn Groningse vennoten de draad van de meekrap weer op. Ze tonen zich vol goede moed: “Als we het doen zoals we van plan zijn, moet de landbouwkundige route te bewandelen zijn”.