Kerstmis op het Rode Plein; Bekaf van het nadenken

De Juliaanse kalender van de conservatieve Russisch-orthodoxe kerk loopt dertien dagen achter op de onze en daarom was het in Moskou deze week pas kerstmis. Laura Starink keerde na vier maanden terug naar Moskou en schrijft vanaf vandaag een wekelijkse rubriek over de stad. “Welkom thuis, roep ik, er is hier niets veranderd.”

Het donkert in Moskou al om half vier 's middags. De zwakke straatlantarens geven de stad het aanzien van een stad in oorlogstijd. De sneeuw dempt alle voetstappen. Er is weinig verkeer, Russen sparen hun auto's in de winter. In de melkwinkel hangt een bedompte sfeer en de geur van verzuurde melk. Het is een oude geur, want melk is er niet. De mensen wachten en ze weten niet waarop. Misschien komt er boter, misschien komt er melk, misschien gaan ze op sluitingstijd met een leeg netje naar huis. Behalve de geur van zure melk hangt er de geur van vochtige winterjassen en slechte adem. De geur van armoede.

Bij de deur staat een oude vrouw met een stok. Ze draagt een grijze gewatteerde werkmansjekker, een dikke grijze maillot in grote bruine rubber laarzen, een donkere wollen hoofddoek om het het piekende haar. Ze steekt een kopje naar voren, een wit theekopje met een groen plaatje erop van de toeristenstad Jaroslavl. “Tien roebel maar,” zegt ze tegen wie het maar horen wil. “Het is fonkelnieuw, ik heb het cadeau gekregen.” Ik geef haar 25 roebel. Dat is twee kwartjes, maar ik durf niet meer te geven. Ik geneer me. Ze kijkt me aan. “Ik heb geen wisselgeld,” zegt ze en graait doelloos in haar diepe lege zakken. Ik wens haar gelukkig kerstfeest en loop door. Bij het verlaten van de winkel klampt ze me weer aan. “Ik schaam me dood,” zegt ze. “Nu ga ik eten kopen voor mijn katten.”

Het is kerstavond in Moskou, na 75 jaar weer de hoofdstad van Rusland. De conservatieve Russisch-orthodoxe kerk houdt nog steeds de oude Juliaanse kalender aan, die dertien dagen achterloopt op de onze en daarom mag ik de feestdagen nog eens dunnetjes overdoen. Dunnetjes, dat wel, want de kerstverlichting is bij mijn weten nog nooit zo pover geweest. Kerstmis valt hier op 7 januari en volgende week, op de dertiende, viert men ten tweeden male het nieuwe jaar. Een enkele winkel heeft nog zijn best gedaan wat oude kerstversiering bevallig langs de lege schappen te draperen, een jonge verkoopster draagt een zilveren slinger in het knoopsgat van haar vuilwitte voorschoot. Buiten sneeuwt het zachtjes. Ik kijk om me heen, mijn ogen zoeken naar het meisje met de zwavelstokjes.

Patriarch Aleksis II ("van Moskou en heel Rusland' zoals zijn officiële titel luidt) houdt een kersttoespraak op de televisie. Hij zalft over naastenliefde en medemenselijkheid. Niemand kijkt er nog van op in het post-communisme. Het Russische journaal heeft meer belangstelling voor de vluchtende Georgische president Gamsachoerdia. En vooral voor de Oekraïne, dat Russische soldaten dwingt de eed van trouw aan het Oekraïense volk af te leggen. Bezorgde Russische officieren roepen de soldaten op de Oekraïense druk te weerstaan. Dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan: wie trouw zweert behoudt salaris, woning en pensioen, wie niet zweert wordt uitgewezen en is in één klap alles kwijt.

Gewetensnood

Ik bel een vriend. Hoe gaat het? vraag ik. “Moeilijk,” zegt hij, “ik zit in een crisis.” Ik ben net in de winkels geweest, zeg ik begrijpend, het is inderdaad een treurig schouwspel. “Nee,” roept hij kwaad, “wat leuter je nou! Wat er in de winkels ligt zal me een zorg zijn. Ik weet niet meer wie mijn vriend en mijn vijand is! We hebben vorige week een protestverklaring aangenomen tegen Gamsachoerdia en een dag later zie ik op de televisie hoe de oppositie het vuur opent op ongewapende burgers! Aan wiens kant moet ik nu staan? Ik ben bekaf van het nadenken!”

Zijn gewetensnood stemt me bijna vrolijk. God zij dank zijn er nog mensen die niet opgaan in de veelstemmige klaagzang over prijzen, rijen en levensmiddelen, die onophoudelijk door de Moskouse straten zoemt. Ik bel een vriendin, die net terug is van vier maanden les geven in Amerika. Ze zit nog in de jetlag. Wilde je nog wel terug? vraag ik voorzichtig. “Wat is dat nu voor rare vraag?” zegt ze verbaasd. “Ik ben van de zomer vlak na de staatsgreep vertrokken en ik heb de dagen geteld! Mijn plaats is hier.” Welkom thuis dan, zeg ik vrolijk. Er is hier niets veranderd!

Op eerste kerstdag zoek ik vertier in de stad. Op de Tverskaja (voorheen Gorkistraat) is altijd wat te beleven, kijvende wijven bij voorbeeld, of een eenzame saxofonist onder de traverse. Twee vrouwen hebben ruzie met een magere minkukel. Ik vang een flard op, waarin de Moskouse burgemeester Gavriil Popov een prominente rol speelt. “Ik heb geen villa,” roept de vrouw. “Maar Popov wel, reken maar! Vandaag of morgen zal hij wel een kind baren, zo kogelrond is hij geworden!” En met haar handen tekent ze de buikomvang van de burgemeester. De magere minkukel kijkt er afgunstig naar. Waar kijven ze over? vraagt een passante. Over het gedijen van de burgemeester, verduidelijk ik. Ze hebben groot gelijk, roept de passante instemmend en vervolgt voldaan haar weg. Ook de afkeer van de machthebbers is dezelfde gebleven.

Iets verderop staat een kluitje mensen te oreren. Dit is een wonderbaarlijk Russisch tijdverdrijf. Een baardaap begint iets te roepen en onmiddellijk vormt zich een groepje om hem heen. De man is maar op één ding uit: in zo'n kort mogelijke tijd zoveel mogelijk mensen beledigen. Hij zoekt zijn slachtoffers uit en de rest van de omstanders slaat zich op de dijen van de pret. Maar het wonderbaarlijkste is dat de slachtoffers zich lijdzaam aan de scheldpartij onderwerpen. Jij hebt zo'n puistekop dat je waarschijnlijk in je hele leven nog nooit een vrouw hebt gehad! smaalt de baardaap. De jongen trekt nerveus aan zijn sigaret. Wie ben jij eigenlijk? vraagt hij. Ik? brult de baardaap, ik ben geboren en getogen in Moskou, maar jij bent zo te zien nog maar net met je schapen op het Koersk-station aangekomen!

Het gesprek verplaatst zich naar de politiek. “De Unie mag niet uit elkaar vallen,” zegt een blonde jongen beslist. “Jeltsin heeft Rusland verkwanseld.” “Welke Unie,” roept de baard, “dit is nooit een Unie geweest, maar een gevangenis der volkeren!” “Mijn grootvader was bij de NKPD (geheime politie),” zegt de jongen dreigend. “Hoe is hij dan wel aan zijn eind gekomen?” sart de baard. “Gewoon in zijn bed, op zeventigjarige leeftijd,” zegt de jongen tevreden. “Dat is dan heel jammer, ze hadden hem moeten opknopen aan de hoogste boom, stom stuk rundvee!” roept de baard. “Nu schreeuw je wel zo hard, maar straks om de hoek pakken we je,” sist de blonde jongen door zijn tanden. De baard gaat over op schuttingtaal, een handgemeen is niet veraf meer en ik loop door naar het Rode Plein, dat nog niet is omgedoopt omdat "Krasny' in het Russisch behalve "rood' ook "mooi' betekent. Daar loopt een groepje jongens met rode vlaggen pamfletten uit te delen namens "Arbeidend Rusland'. Op 12 januari is er een protestdemonstratie tegen de prijsverhogingen. Jeltsin moet het volk maar tekst en uitleg komen geven, vindt Arbeidend Rusland. Als Jeltsin niet naar het volk komt, komt het volk naar hem,” waarschuwt het vlugschrift. De rode vlaggen verdwijnen achter de horizon.

Een paar uur later wordt op het Rode Plein voor het eerst kerstmis gevierd. Vuurwerk, volksdansen, volkstoneel tegen de achtergrond van de Vasili-kathedraal. Poppenkast op het Rode Plein, zo moet het in een ver verleden ook geweest zijn. Jan Klaassen (Petroesjka) roept iets over een staatsgreep en loopt met de foto van Jeltsin te sjouwen. Hij krijgt een klap op zijn kop. Kinderen joelen. Voor het mausoleum dansen mensen bij de klanken van een "garmosjka'. Even voor zessen verschijnen plotseling drie blikkerende bajonetten. Ze schrijden langs de menigte, die lachend toesnelt. De aflossing van de wacht bij Lenin, hooggeheven laarzen, afgemeten passen, opeengeklemde kaken. Nog nooit hebben zij er zo potsierlijk uitgezien.

De feestdis is vanavond kariger dan andere jaren. Aardappelen, boterhammen, bietensla, rijst, een handjevol worstjes, kool en veel vodka. Het deert niemand. “Risotto,” mompelt de acteur druk. De literair criticus is blij dat het kerstfeest voor het eerst normaal gevierd is, al maakt men zich vrolijk over de “communistische aanpak” bij het aanbrengen van religieuze leuzen in de stad. De bard zingt zijn nieuwe lied over het probleemhuwelijk van de Rus en de Vrijheid.

Over het verdwijnen van de Sovjet-Unie maakt men zich in het gezelschap geen enkele zorg. Dat moest gebeuren, daarover is iedereen het eens. Het zal de Russen moeite kosten hun imperialistische inborst te beteugelen, maar dan moeten ze maar eens flink hun best doen, vindt de criticus. En de acteur leert de gasten een eigengemaakt nieuwjaarslied met een variant op een bestoft marxistisch dogma: bewustzijn.'' En hier kan iedereen zich in vinden.