Juridisch bestaat schijnhuwelijk niet; Rotterdamse politie vermoedt ten minste 400 gevallen per jaar

DEN HAAG, 10 JAN. De minister van justitie wil het net rond de illegalen in Nederland strak aantrekken. Dat verklaarde een woordvoerster van de minister gisteren naar aanleiding van het voornemen van het ministerie van justitie om betrokkenheid bij schijnhuwelijken strafbaar te maken. Huwelijken tussen buitenlanders en Nederlandse onderdanen zouden in toenemende mate gebruikt worden om deze buitenlanders aan een verblijfsvergunning te helpen.

Het stringente kabinetsbeleid gericht tegen illegale buitenlanders in Nederland werd vorig jaar juni ingezet, in het voetspoor van de rapportage van de commissie Zeevalking. Een klare lijn werd uitgezet: legale vreemdelingen dienen een steeds sterkere rechtspositie te krijgen (afhankelijk van de duur van hun verblijf), illegale vreemdelingen dienen het land te verlaten. Daarvoor is het volgens het kabinet nodig dat alle overheidsdiensten “uit een mond spreken”. Dat betekent bijvoorbeeld dat niet alleen Justitie illegale immigratie en - verblijf bestrijdt maar dat ook de toekomstige Gemeentelijke Basisadministratie de verblijfsstatus van vreemdelingen registreert.

Het streven van Justitie om schijnhuwelijken strafbaar te stellen past in het bredere kader van het aangescherpte binnenlandse vreemdelingentoezicht. Hoe vaak schijnhuwelijken worden gesloten is niet duidelijk. De Rotterdamse politie schat dat er in die stad minstens 400 gevallen per jaar zijn. Uit cijfers van het CBS blijkt dat er in 1990 in totaal 5.868 Nederlandse vrouwen en 4.469 mannen trouwden met een buitenlandse partner. In totaal werden dat jaar 100.000 huwelijken gesloten.

Vorig jaar maakte staatssecretaris Kosto (justitie) al enkele civielrechtelijke beleidsvoornemens bekend die ook al tot doel hebben schijnhuwelijken onmogelijk te maken. Op dit moment hebben ambtenaren van de burgerlijke stand geen enkele mogelijkheid medewerking te weigeren aan het sluiten van een huwelijk waarvan zij het vermoeden hebben dat het om een schijnhuwelijk gaat. De motieven die mensen kunnen hebben om te trouwen gaan de staat in principe niets aan. In juridische zin bestaat een schijnhuwelijk dan ook niet. Die term is op een bepaald moment ontstaan voor verbintenissen die alleen bedoeld zijn om een van de partners aan een verblijfstitel te helpen. In 1985 is door de herziening van de Rijkswet geprobeerd daar iets aan te doen. Niet langer hebben buitenlanders door een huwelijk met een Nederlands onderdaan automatisch het recht op de Nederlandse nationaliteit, dat recht krijgen zij pas als het huwelijk drie jaar in stand blijft. In de praktijk werd het aantal schijnhuwelijken daar nauwelijks door teruggedrongen. Nu wil Justitie daarom ambtenaren van de burgerlijke stand de bevoegdheid geven om, wanneer zij vermoeden met een schijnhuwelijk te maken te hebben, te onderzoeken of de vreemdeling over een verblijfvergunning beschikt dan wel zo'n vergunning heeft aangevraagd of te kennen heeft gegeven in het geheel niet in Nederland te willen gaan wonen.

Overigens is een huwelijk op zichzelf niet voldoende om aanspraak te kunnen maken op een verblijfsgunning. De Vreemdelingenwet stelt dat er sprake moet zijn van een “duurzame relatie” en in ieder geval van samenwoning. En dat laatste moet de Vreemdelingendienst controleren. Soms gebeurt dat op oneigenlijke manier, zoals enige maanden geleden bleek, toen de Rotterdamse politie een 9-jarig kind op school ondervroeg om te weten te komen of zijn ouders daadwerkelijk samenleefden. Kosto heeft die praktijk begin deze maand in antwoord op Kamervragen afgekeurd. De chef van de Rotterdamse Vreemdelingenpolitie, inspecteur Michels, meent ook dat strafbaarstelling van schijnhuwelijken alleen een “ultimum remedium” is, een uiterst middel als civielrechtelijke maatregelen niet hebben gewerkt.