Je werkt je eigen toch niet over de kop? Brieven van Gerard Reve aan Jan Groothuyse

Gerard Reve: Brieven aan mijn lijfarts 1963-1980. Uitg. Veen, 207 blz. Prijs ƒ 34,90.

“Beter dan hier krijg ik het nergens”, schreef Gerard Reve op 25 juli 1971 vanuit Veenendaal aan zijn huisarts Jan Groothuyse. “Een eigen kamer met water en verwarming en de huishouding geruisloos voor je gedaan, en nooit gezeik of gekanker, dat heb ik nog nooit eerder meegemaakt.”

Over het hoe en wat van die huishouding valt in Brieven aan mijn lijfarts 1963-1980 niets te lezen. Wel kan men eruit opmaken, in een acht maanden later geschreven brief, dat de behuizing toch wel iets te wensen overlaat. “Het is veel te klein en te opgepakt, hier in Veenendaal. Je kunt geen deur uitkomen of je botst tegen iemand op.” Hij zal Groothuyse wel eens in vertrouwen hebben verteld hoe buitengewoon ónvolmaakt de Veenendaalse periode bij nader inzien was, maar ons blijkt dat pas uit een brief van 19 januari 1979. Daarin heeft hij het terloops over ”die psychopathenfamilie in Veenendaal'.

Het is een onevenwichtig boek, deze zoveelste brievenbundeling van Reve, vol hiaten en onopgehelderdheden. De 104 noten achterin, door Nop Maas, verklaren lang niet alles. Raadselachtig blijft onder meer wat er gebeurde tussen de laatste brief van 10 maart 1980 en de zelfmoord van Jan Groothuyse op 13 december 1983. Hadden ze elkaar in die laatste drie jaren niets meer te zeggen? Er is weinig voortgang te bespeuren in de correspondentie. De meeste brieven staan geheel op zich, omdat er bijvoorbeeld maandenlange gaten tussen vallen. Zodoende is het niet mogelijk om er een doorlopend levensverhaal uit te destilleren, noch van Reve noch van zijn adressant. Het merendeel van de ruim honderd brieven is bovendien nogal kort, bij het kattebellerige af.

Toch is bijna elke brief, hoe kort of hoe zakelijk ook, de moeite van het lezen waard. Dat heeft alles te maken met Reve's onvervreemdbaar eigen stijl en taalgebruik, en dus met hoe hij de dingen zegt. Alleen hij kan woorden bezigen als ”brieph', ”knophlook”, ”koerakter', ”het quaadt' en ”paardenimf' (voor paranimf) zonder zijn geloofwaardigheid te verliezen. Steeds is er die eigenaardige mengeling van verheven en alledaags, hoog en laag, hovaardij en deemoed, ernst en humor, die alles wat hij schrijft vanzelf dubbelzinnig maakt.

Als hij aan zijn lijfarts vraagt of die ”te gelegenertijd' eens ”naar Willem zijn kleefpik' wil kijken, dan klinkt daar zowel bezorgdheid als wegwuivende ironie in door. Zelf stelt hij alvast een geruststellende diagnose: ”Ik denk dat het gewoon ereksionele insnoering is'. Tot de aantrekkelijkheden van dit boek behoort dit soort eigengereide veronderstellingen op medisch gebied. “Met G. gaat het slechts matig”, schrijft hij op 18 april 1973. “Zoals je gehoord zult hebben, moet hij na Pasen wederom terug het ziekenhuis in. Alle verschijnselen bijeengevoegd, houd ik het op een of andere laesie in zijn kop, al kan alles ook zuiver zielkundig zijn.”

Refusal

Alcoholisme en de strijd daartegen zijn de voornaamste bindende elementen tussen de brieven. Opmerkelijk is hoe vaak hij er melding van maakt de drank en het gebruik van allerlei medicamenten nu voorgoed onder controle te hebben. “Ik neem weinig of geen kalmerende middelen in - alleen bij uitzondering - en ik drink niet, of heel weinig”, zo bezweert hij Groothuyse en zichzelf keer op keer. Dat verhindert hem niet om flinke voorraden refusal-, pep-, kalmerings- en slaapmiddelen te bestellen bij zijn lijfarts. Klagerig klinken zijn brieven intussen nooit. Of hij nu advies vraagt omtrent ”een minimale uitwendige aambei, niet groter dan een flinke graankorrel', of geïnformeerd wil worden over een veel wezenlijker defect,- zijn toon is steeds opgewekt berustend. “Denk je, dat er blijvend iets aan mijn zenuwstelsel vernield is?”, vraagt hij nadat hij aan een heftig delirium ten prooi is geweest. “Als het zo is, aanvaard ik het, want mijn werkkracht en geestelijke energie en talent zijn onaangetast”.

Een duidelijk beeld van de lijfarts rijst niet op uit dit brievenboek, omdat de patiënt zelf nu eenmaal veel aandacht vraagt. Maar men krijgt wel een indruk. Groothuyse moet een aardige, gevoelige, doortastende, maar ook nogal depressief aangelegde man zijn geweest, met een lastige, volgens Reve ”asociale' patiëntenkring op de Wallen. Naast het zware huisartsenwerk voltooide hij een filosofiestudie, promoveerde hij op een onderzoek over prostitutie en zag hij kans zich te specialiseren in de psychiatrie. Dat zijn huwelijk stukliep, lijkt bij dit alles geen wonder. “Je werkt je eigen toch niet over de kop?”, vraagt Reve hem meer dan eens. Regelmatig nodigt hij hem uit te komen logeren, en eens wat rust te nemen. Want hoeveel aandacht hij ook heeft voor zijn eigen besognes, het lot van Groothuyse houdt hem zeker bezig.

Even interessant als ontroerend zijn de brieven waarin de rollen worden omgedraaid en de lijfsarts zelf van adviezen wordt voorzien, op lichamelijk, geestelijke en sociaal gebied. Daar vindt voor het eerst echte uitwisseling plaats en daar wordt niet alleen vriendschap, maar ook zielsverwantschap zichtbaar tussen Reve en zijn lijfarts. Een hoogtepunt vormen de brieven die hij schreef in januari 1979. Ze gingen vooraf aan een therapeutische sessie, waarin niet alleen zijn psychische problemen, maar ook die van Groothuyse aan bod zouden komen.

Zelf was hij nogal tevreden over deze therapie en hij meende dat zij elkaar ermee van zelfmoordgedachten hadden verlost. In zijn een-na-laatste brief schreef hij hoopvol dat zelfmoord meer iets was voor grapjassen en niet voor hypochonders. “Dus: maak je geen zorgen. Vaak denk ik bovendien: zo lang duurt het niet meer, dus we kunnen het beter rustig uitzitten.”

Maar deze welgemeende raad volgde zijn lijfarts jammer genoeg niet op.