In Zurich is de dood uit het gezichsveld verbannen; De Zwitserse schrijver Thomas Hurlimann over muren en militairen

De Zwitserse schrijver Thomas Hürlimann lijkt niet zoveel van zijn vaderland te houden. “Ik heb in geen ander Europees land zoveel militarisme aangetroffen als in Zwitserland.” Toch keerde hij er terug na een meerjarig verblijf in Berlijn, een stad die hij heel wat humaner vindt dan Zürich, waar niemand zich kan voorstellen wat het is om honger of dorst te lijden.

Het tuinhuis van Thomas Hürlimann verscheen in een vertaling van Gerda Meijerink bij uitgeverij De Geus. Gebonden ƒ 29,50, paperback ƒ 19,90.

“Jong was zijn zoon gestorven, nog voor de militaire dienst. Een rozestruik, vond de kolonel, zou mooi en bescheiden aan het vroeg verwelkte leven herinneren. Maar Lucienne, zijn vrouw, wilde niets van een struik weten - een steen moest er komen, van graniet. Hij schreeuwde, zij snikte.”

Dit zouden de slotregels van een verhaal kunnen zijn, de ontknoping van een tragedie die uitloopt op een dwaze ruzie tussen door verdriet gebroken ouders. Maar het gaat nu juist om de openingsregels van Het tuinhuis (1989), een novelle van de veertigjarige Zwitserse schrijver en dramaturg Thomas Hürlimann. Naarmate de lezer in de vertelling vordert begint hij te vermoeden dat een kat, die rondzwerft op het kerkhof waarop de zoon begraven ligt, de inzet wordt van een strijd op leven en dood tussen de kolonel en Lucienne, zijn echtgenote. De naamloze kolonel bedenkt allerlei militaire strategieën om de kat in het geniep voedsel te bezorgen en zo haar fysieke overleving mogelijk te maken. Lucienne is razend als ze achter zijn geheim komt, omdat ze het optreden van de kolonel als een ontering van het graf beschouwt.

Er is niets van aan: de schrijver heeft de lezer nog maar eens op het verkeerde been gezet. In de loop van het verhaal, dat tevens de geschiedenis is van een man - de kolonel - die zich op den duur van ouderdom niet meer kan verplaatsen, wordt de kat uit het oog verloren en lossen de echtelijke spanningen zich op in de infantiele sfeer van een tuinhuis dat zich bevindt op het domein van villa "Laetitia'. Daar is het dat de door whisky benevelde kolonel, die de alcohol uit een zuigfles tot zich neemt, uiteindelijk zachtjes ontslaapt. Die villa wordt geregeld vergeleken met een schip.

Hürlimann: “De poging om het huis te beschrijven als een schip resulteert uit het gedrag van de bewoners: allemaal dromen ze van iets anders dan van datgene wat hen omringt. Ze koesteren het verlangen naar een grote reis, maar ze blijven de gevangenen van de plaats waar ze vertoeven.”

Thomas Hürlimann is het niet eens met de critici die Het tuinhuis in de traditie plaatsen van Thomas Manns grote familieroman Buddenbrooks, de geschiedenis van de neergang van een geslacht, ook al ligt zo'n vergelijking op het eerste gezicht wel voor de hand. Wat Hürlimann werkelijk interesseert is het verhaal dat begint waar de klassieke roman het relaas afbreekt.

Hürlimann: “In Thomas Manns Buddenbrooks wordt in het lang en het breed verteld hoe een grote familie ondergaat, hoe ze vorm en aanzien verliest. Maar als ik begin te vertellen is het drama al gebeurd: de zoon van de kolonel is gestorven, terwijl de dood van de kleine Hanno Buddenbrook aan het slot van Thomas Manns roman wordt gesitueerd. Mijn personages vergaat het als de figuurtjes die door omstandigheden uit de omkadering van het stripverhaal geslingerd zijn. Die figuurtjes bevinden zich dan in de leegte. Maar ze weten zich weer in de omlijsting van het beeldverhaal te werken, terwijl mijn personages werkelijk de grond onder de voeten verloren hebben, voorgoed. De personages die villa "Laetitia' bevolken klampen zich aan hun oude en dode orde vast. Lucienne vaart bijvoorbeeld tegen haar dochter Zizi uit, omdat ze met een Toyota rijdt, wat in tegenstelling tot de Fiat of de Volkswagen een vreemd element is in haar oude wereld. Maar het ouderlijk paar ontbreekt het inmiddels ook aan de elementaire kracht om grote gevoelens op te brengen.

“In De Vader of in Dodendans van August Strindberg worden de personages gedreven door een grote haat of een grote liefde, of iets wat tussen die twee uitersten lijkt te liggen. Bij mijn personages laait de haat wel even op, maar hij is niet vitaal genoeg om een alles verslindend vuur te worden. Ook in dit opzicht staan de kolonel en Lucienne in de marge. Op het einde van het verhaal zijn het komische figuren geworden die een groot deel van hun tijd doorbrengen in het halfafgewerkte miniatuurlandschap dat het tuinhuis vult, een bestoft en halfvergaan landschap, een maquette, speelgoed van de gestorven zoon. De tijd loopt achterwaarts en alleen het verleden is nog levend.”

Belachelijk

Het tuinhuis is een verhaal over waarden en erecodes die in de loop van de tijd de schijn van duurzaamheid niet kunnen ophouden. Het blijken schrale waarden geworden te zijn, en de personages die eraan vasthouden dreigen zich aan de belachelijkheid prijs te geven. De verschijning van de zwerfkat op het graf van de zoon geeft aanleiding tot een groteske strijd tussen de twee echtelieden, die niet alleen uit piëteit voor de gestorven zoon dagelijks het kerkhof frequenteren.

Hürlimann: “De kolonel heeft wel een aantal dochters, maar die kunnen de naam van het geslacht niet voortzetten. De kolonel, die ik heel bewust geen naam heb gegeven, heeft door de dood van zijn zoon ook zijn aanzien verloren. Zijn geslacht zit op een dood spoor. Onder dat verlies van zijn aanzien gaat de kolonel allicht meer gebukt dan onder het verdriet over de dood van zijn zoon. Tegelijkertijd heeft die door en door Zwitserse kolonel nu de gelegenheid om datgene wat zijn leven uitmaakt werkelijk uit te leven: het opzetten van militaire strategieën om de overlevingskansen van de kat te waarborgen. Of hij wint of verliest doet er niet toe, als hij maar slag kan leveren. Hoofdzaak is dat hij nu zijn militaire kennis helemaal kan mobiliseren. Het graf van de zoon is het strijdtoneel.

“Tenslotte is het kerkhof voor ons allemaal het laatste oorlogstoneel, al willen we met dat inzicht niet leven.”

In Het tuinhuis duikt nagenoeg geen enkel mannelijk personage op dat niet op de een of andere manier door het Zwitsers militarisme getekend is.

Hürlimann: “Ik heb in geen ander Europees land zoveel militarisme aangetroffen als in Zwitserland. Het leger, dat is ons bindend element geworden, datgene wat gestalte gegeven heeft aan onze vier regio's, vier talen en culturen. Bovendien is de Tweede Wereldoorlog aan ons voorbijgegaan. In tegenstelling tot Duitsland, waar het militarisme tot fascisme ontaardde en schipbreuk leed, heeft de "Ernstfall' bij ons niet plaatsgegrepen. Daarom heeft men zich bij ons geen vragen over het Zwitsers militarisme gesteld. Daardoor is het leger nog altijd de vanzelfsprekende zingever van Zwitserland.”

Thomas Hürlimann is geobsedeerd door de dood. In 1979, twee jaar voor hij met de verhalenbundel Die Tessinerin en het toneelstuk Grossvater und Halbbruder debuteerde, overleed zijn broer, van wie de schrijver heel veel hield, aan kanker.

“Dat sterven van mijn broer duurde vier jaar. Dat is niet om uit te houden, niet voor diegene die het overkomt, en ook niet voor zijn omgeving. Toen werd ik me bewust hoe slecht de stedelijke Zwitserse samenleving met het verschijnsel van de dood weet om te gaan. Er zijn plaatsen waar dat anders ligt. Het was mijn broer aan te zien hoe ziek hij was. Ik moest er niet aan denken om met hem in Zürich te gaan lunchen, want toen we dat een keer deden werden we gemaand om op te stappen. In Berlijn was dat wel anders. Ik denk dat in Berlijn de herinnering aan het lijden nog erg levend is, in tegenstelling tot Zwitserland dat door de oorlog niet getekend werd. De herinnering aan dat lijden heeft van Berlijn, waar je de sporen van de oorlog tot in de zeventiger jaren aan kon treffen, een humanere stad gemaakt dan bijvoorbeeld Zürich, waar de burgers zich niet kunnen inbeelden hoe het moet aanvoelen om honger of dorst te lijden. In de Zwitserse steden is de dood helemaal uit het gezichtsveld verbannen. Zoiets wreekt zich. Overal. Precies op de dag dat in Parijs het organiseren van rouwstoeten verboden werd, raakte het eerste geval bekend van iemand die in het centrum van Parijs op een openbare plaats aan een overdosis drugs gestorven was.

“Het is als in een komedie: je schopt de dood rechts de coulissen in, we lachen ons te pletter omdat we hem klein hebben gekregen, en we merken niet dat hij links alweer op de planken is verschenen. Verleden zomer werd in het dorp waarin ik woon een stuk van me opgevoerd. Er komt een doodkistenmaker in voor die op bezoek gaat bij de mensen die hun einde voelen naderen. Die doodkistenmaker wil een idee hebben van de grootte van de kist die hij moet maken. Welnu, de leraren verboden de kinderen om mijn stuk te gaan zien, omdat ze de figuur van de doodkistenmaker obsceen vonden. Belachelijk. Alsof het bij de jongeren niet mag doordringen dat de dood tot het leven behoort.”

Epigoon

Thomas Hürlimann zegt het wel niet zo cru, maar de dood van zijn broer betekende een cruciale stap op weg naar het schrijverschap. Die dood maakte namelijk naar zijn zeggen een einde aan de leugenachtigheid van zijn denken en handelen zoals hem dat in het internaat van het klooster Einsiedeln was bijgebracht. “Schrijven deed ik al langer, maar niets lukte me. Wat ik neerschreef waren imitaties. Ik was een epigoon van Max Frisch, denk ik. Maar na de dood van mijn broer merkte ik dat mijn manier van observeren anders geworden was. Ik had een drempel overschreden. Het was alsof ik door een deur was gegaan en was terechtgekomen in een kamer die ik nog nooit had gezien. Plotseling wist ik dat de taal alleen kan functioneren als je echt weet wat je met die taal kan en moet vertellen.

“Maar ook Der Mann ohne Eigenschaften van Robert Musil heeft me geholpen. Toen ik dat boek gelezen had werd ik bang dat ik ooit met spijt tot mezelf over een steeds uitgesteld project zou moeten zeggen: had ik het maar niet verzuimd om daar tien jaar geleden aan te beginnen. Ik wou niet dat me zoiets zou overkomen. Na de lectuur van Musils roman dacht ik: ik moet van mijn leven iets maken, ik moet beslist schrijven. Ik wil dat met mezelf mogelijk maken.”

Een veelschrijver is hij niet, en hij denkt er niet aan om dikke romans te schrijven. Thomas Hürlimann is lang van adem en kort van stof. Hij houdt niet op aan zijn teksten te sleutelen voor hij ze in druk geeft. Maar een novelle als Het tuinhuis staat dan ook als een massief blok in het literaire landschap.

Hürlimann: “Het schrijven van toneelstukken is een enorme leerschool voor de romancier. Ik houd heel erg veel van theater, al is het schrijven en creëren van een stuk een verschrikkelijk slopend werk. Telkens als ik een stuk geschreven heb neem ik me voor er nooit meer aan te beginnen. En toch, na een tijdje krijg ik ontwenningsverschijnselen en begin ik er weer aan. Mijn eerste stuk, Grossvater und Halbbruder (1981), werd in zowat zeven schouwburgen opgevoerd. Het viel me op dat het publiek telkens bij dezelfde scène begon te kuchen en te geeuwen. Aan die passage moest dus iets schorten. In het toneel kan je je niet permitteren zinnen te schrijven die in het luchtledige hangen, want dan begint de zaal zich te vervelen. Als ik proza schrijf ga ik net zo te werk: ik serreer, ik concentreer me, ik probeer niet door te zakken. Als lezer verlang ik trouwens hetzelfde: een verhaal moet me meteen pakken of ik ga er niet mee door.”

Kreuzberg

Als ik hem vraag of het uit masochisme is dat hij zich nu in het dorp Einsiedeln gevestigd heeft, de plaats waar hij zijn jeugd in het gehate katholieke internaat heeft doorgebracht, kijkt hij raar op. “Ik weet het niet. In 1974 ruilde ik het bekrompen Zwitserland voor het breeddenkende Berlijn. Vijf jaar lang keek ik in Kreuzberg neer op de Muur. Op een dag kreeg ik de opwelling om de hoogte van de Berlijnse Muur te vergelijken met de hoogte van de muur die het klooster van Einsiedeln van de buitenwereld afsloot. Het resultaat van die metingen was dat de Berlijnse Muur twee centimeter lager was.

“Muren hebben het nadeel dat ze je op kunnen sluiten, maar ze bieden het voordeel van overzichtelijkheid. Je kunt dat doortrekken naar het theater: op de beperkte en overzichtelijke ruimte van de planken kan je de hele wereld ontsluiten.”

In het werk van Hürlimann gaat het zover, dat de auteur ingemetseld raakt in het verhaal dat hij schrijft en wanhopig een hand door die zelf gebouwde literaire muur naar buiten steekt. Neem het verhaal Die Tessinerin (1981) uit de gelijknamige bundel, een vertelling over een Zwitserse Emma Bovary. Midden in het verhaal, waarin de doodsstrijd beschreven wordt van een vrouw van wie de biografie alleen maar uit onvervuld verlangen heeft bestaan, breekt plots de schrijver uit zijn pantser: “Wie in een sterfhuis aan een sterfbed zit, wie in zijn hersens naar woorden zoekt om niet gek te worden en als een idioot te grijnzen, die ervaart, of hij nu de onderwijzer uit Eutel is aan het bed van zijn vrouw of ik aan het bed van mijn broer (waar ik over wilde schrijven en niet schrijven kan), dat een stervende je vreemd wordt omdat hij stilte verbreidt - een plechtige stilte.”