Het wereldcircus

Meneer Ratti schraapte zijn keel en zei: “Baron... ik denk... ik vrees... ik weet dat er maar één oplossing is. Heel simpel: ik zal je moeten weggeven. Ts... zei ik weggeven? Zo simpel is het dus niet. Maar dat is nog niet eens zo erg. Het ergste is dat ik... dat ik... Ik krijg het niet over m'n lippen. Laten we maar ontbijten.”

Het gezicht van meneer Ratti zag zo bleek als de havermoutpap waarin hij even later stond te roeren.

Met moeite kreeg hij een paar happen door zijn keel. En met gemak at de kat zijn buikje vol.

“De kwestie is: hoe geef ik je weg? Laat ik je los? Stop ik je in een tas en zet ik je bij die spillebeen voor de deur? Moet daar dan een briefje bij met zoiets als "Voor de kleine zieke'? O nee, bah, dat vind ik niks... En die zeven knikkers dan? Ik kan moeilijk zeven keutels teruggeven. Teruggeven, zei ik dat? Daarnet zei ik al weggeven, nu teruggeven, welja, toe maar.”

De kat sprong op zijn schoot en toen meneer Ratti zijn hand op het kopje legde, begon hij genoeglijk te spinnen.

“Ach, waarom zou ik niet eens proberen iets te geven... Wat moet ik met alle dingen als er geen streepjes meer in mijn kasboek bij kunnen?”

Hij hoefde niet lang na te denken.

“Oei, dat is een mooi idee, en daar heb jij me aan geholpen, Baron. Ga jij maar op mijn stoel, voor mij is er werk aan de winkel.”

Hij duwde twee grote dozen naar de gootsteen.

“Dit zijn al mijn knuffeldieren. Ofwel zevenennegentig viespeuken, floddervossen en smeerkezen. Hier met het sop, hier met de borstel.”

Meneer Ratti zeepte de knuffeldieren in en schrobde het jaren oude vuil eraf. Een grijze, korstige beer werd geel, een gelig konijn werd wit, een gevlekt hondje werd blond, ze knapten er allemaal van op. Hij rolde ze een voor een in een handdoek en wreef erover of het kindertjes waren die uit bad kwamen.

Toen pookte hij de kachel op, spande er een paar touwen boven en hing de knuffeldieren te drogen. Aan hun oren, hun pootjes, hun staartjes.

“Komt dat zien”, bromde hij. “Mensen, dit is pas een wereldcircus, zevenennegentig acrobaten aan de trapeze.”

's Avonds waren ze droog. Maar dat niet alleen, ze waren ook donzig, fluwelig en pluizig.

“Bijna zo poezelig als jij, Baron.”

Meneer Ratti stopte ze in de kinderwagen, die tot aan de kap toe vol raakte.

“En nu jij...”

Hij tilde de kat op en zette hem midden tussen de knuffels.

“Jij bent de grote ster van het circus, Baron Vosje...”

Hij hees de kinderwagen de trap op en duwde hem naar het huis waar Marleen woonde.

De gordijnen waren gesloten. Meneer Ratti loerde door de brievenbus. Aan het eind van de gang brandde een zwak lichtje. Hij luisterde. Het was doodstil in huis. Of toch niet? Hoorde hij niet heel zachtjes huilen?

“Onzin”, fluisterde hij, “zulk zachtjes huilen bestaat niet. Het zullen mijn oude oren wel zijn die me foppen”.

Meneer Ratti zuchtte en gaf de kat een laatste aai over zijn kopje.

“En nu zal ik je zeggen wat ik niet over m'n lippen kan krijgen, Baron, en dat is...”

Meneer Ratti slikte.

“...Dat is dat ik je zal missen. Vaarwel, haarbal!”

Meneer Ratti belde aan en, half glijdend over de sneeuw, rende hij weg.