Het doel is volmaakt te worden; Gesprek met Yourcenarbiografe Josyane Savigneua

Hoewel Marguérite Yourcenar niet erg toeschietelijk was bij het geven van informatie, slaagde journaliste Josyane Savigneau er toch in een voortreffelijke biografie te schrijven van de onthechte, superieure schrijfster. “Mijn beschrijvingen berusten op feiten, de neiging om iets te verzinnen heb ik niet hoeven onderdrukken.”

Marguérite Yourcenar, een biografie door Josyane Savigneau. Vert. Jenny Tuin. 550 blz. Uitg. Athenaeum-Polak & Van Gennep. Geb. ƒ 90,-, Ingen. ƒ 65,-.

In Quoi? l'Éternité, haar laatste boek en tevens het laatste deel van haar familietrilogie Le labyrinthe du monde, schrijft Marguérite Yourcenar: “Het zijn niet zozeer de gebeurtenissen in eigen leven die me van belang lijken, als wel de wegen waarlangs bepaalde ervaringen mij hebben bereikt.” Alleen al de afstandelijke formulering waarmee de schrijfster te kennen geeft slechts het allernoodzakelijkste over haarzelf te willen prijsgeven, moet voor een biograaf geen aanmoediging zijn. Bovendien was uitgerekend degene die toch de uitdaging aanging, de journaliste Josyane Savigneau, per telefoon getuige van Yourcenars censuur. “Je brûle tout,” meldde de schrijfster haar toekomstige biografe enkele maanden voor haar dood. Savigneau reageerde naar eigen zeggen laconiek op die heiligschennige daad. Misschien kwam dat omdat Yourcenars uitgever haar pas een half jaar later verzocht een biografie te schrijven. Maar misschien ook niet: op de redactie van Le Monde waar zij de literatuurafdeling leidt, zegt Savigneau er ook nu begrip voor te hebben dat “iemand zijn nalatenschap naar zijn hand zet”.

In haar voortreffelijke verslag van Yourcenars leven - nu verschenen in een niet minder voortreffelijke en snel voltooide vertaling van Jenny Tuin - verbindt Savigneau aan het beeld van die oude dame voor het open haardvuur de vraag: “Bracht ze opeens deze zin van René Char in praktijk: "Een dichter moet sporen van zijn levensloop nalaten, geen bewijzen; alleen sporen doen dromen'?” En zij voegt er het antwoord aan toe: “Als ze de zin had gekend, zou ze er waarschijnlijk mee hebben ingestemd, want zij is, door alleen sporen van zichzelf zichtbaar te laten, dat verre, vreemde personage geworden dat intrigeerde (-)”.

Dat personage wordt door Savigneau niettemin bewonderenswaardig dichtbij gebracht. De grote verdienste van haar boek is juist, dat zij van de naar het scheen serene en aan tijd en materie ontstegen geest Yourcenar een mens van vlees en bloed maakt, zonder haar evenwel te banaliseren en met behoud van het mysterie. Savigneau slaagt er bovendien in afstand te bewaren tot haar onderwerp, maar tegelijkertijd haar sympathie niet te verdoezelen. Die kwaliteit houdt ongetwijfeld verband met Savigneau's journalistieke achtergrond. Een goed jaar na het verschijnen van haar boek geeft zij althans blijk van een nuchter soort betrokkenheid.

“Op een lezing die ik gaf, kwam na vijf minuten al een behoorlijk agressieve man naar voren. Je merkte aan alles, dat hij zijn woede had opgekropt en me nu eens even de wind van voren ging geven. Hij snauwde me toe: “En nu denkt u natuurlijk, dat uw biografie de visie op Yourcenars werk ingrijpend verandert?” Ik zag hem instorten toen ik nogal droogjes antwoordde: “Nee hoor, helemaal niet.” En zo is het ook. Het is nooit mijn bedoeling geweest, dat het leven het werk ging verklaren. Ik heb het zo goed mogelijk proberen te reconstrueren, omdat dat leven me intrigeerde. Hoewel in haar werk de actuele werkelijkheid nauwelijks een rol speelt, las ik het als jonge tiener al. En de belangstelling voor haar persoon nam toe, toen zij vanaf het begin van de jaren zeventig regelmatig op televisie te zien was.

“Het is voor een biograaf misschien vreemd om te zeggen, maar ik bewonder de manier waarop Yourcenar controle heeft uitgeoefend op het nagelaten materiaal. Hoewel ik niet de indruk heb dat de archieven die zij bij de Universiteit van Harvard heeft ondergebracht en die pas over vijftig jaar geopend mogen worden, nog veel spectaculairs zullen opleveren, vormt die wilsbeschikking een bewijs temeer voor de sturing die zij aan haar leven gaf. Bijna nog in de negentiende eeuw geboren en vrouw bovendien heeft zij zich altijd volkomen onafhankelijk opgesteld van welke normen of verwachtingen dan ook. Haar vrijheidsdrang, die tot uitdrukking kwam in haar nooit afgenomen reislust, en haar immense talent vormden haar enige baken. En Grace Frick natuurlijk, maar onder meer door de zich jaren voortslepende ziekte van Frick verwerd dat toch al vreemde huwelijk hoe langer hoe meer tot een gijzeling.”

Koketterie

Eind 1984 - Yourcenar was toen 81 en op het toppunt van haar roem - had Savigneau een interview met haar voor de krant. In haar boek zegt Savigneau dat het de schrijfster amuseerde “zichtbaar iemand tegenover zich te hebben die bij voorbaat gewonnen was maar daarom toch niet het gevoel voor spel verloor”. Met het laatste doelt zij op Yourcenars onvermoede maar “bijna kinderlijke neiging tot koketterie, tot behagen en verleiden”. De professionele relatie kreeg een vervolg in enkele vriendschappelijke ontmoetingen; in 1987 ontving Yourcenar haar latere biografe zelfs in Petite Plaisance, dat "simpele buitentje' op Mount Desert Island voor de Amerikaanse oostkust, waar de schrijfster “met haar wat superieure houding van kasteelvrouwe” tot verbazing van menige Franse televisiekijker sinds de jaren veertig gewoond heeft.

Een van de merkwaardigste door Savigneau geopenbaarde aspecten van Yourcenars persoonlijkheid was haar evidente voorkeur voor omgang met homoseksuele mannen. Zelf lesbienne werd zij regelmatig verliefd op een homoseksueel, de laatste keer na de dood van Frick in 1979. Het betrof de jonge fotograaf Jerry Wilson die nog vóór Yourcenar stierf aan de gevolgen van Aids. Yourcenars obsessie voor hem ging zelfs zover, dat zij de indruk heeft willen wekken dat haar eigen dood aan dezelfde ziekte te wijten was.

Savigneau schrijft er uitgebreid over, zonder erin te slagen iets te verklaren. Dat heeft voor de lezer een zekere frustratie tot gevolg. Savigneau: “Voor mij was het even frustrerend. Maar ik ben nu eenmaal geen psycho-analytica en ik ben sowieso geen voorstander van psychologiserende of romantiserende biografieën. Mijn beschrijvingen berusten op feiten, waarvan ik de bron steeds vermeld. Zelfs de neiging iets te verzinnen of te interpreteren heb ik niet hoeven onderdrukken. Alleen de vragen die ik opwerp heb ik verzonnen.”

De research voor haar boek heeft "tweeënhalf jaar vrije tijd en vier reizen naar de Verenigde Staten' gekost. De tallozen die Savigneau in haar nawoord bedankt, heeft zij allemaal persoonlijk dan wel per brief ondervraagd, maar “helaas kwam het onderhoud vaak neer op een kwartiertje informatie hunnerzijds en twee uur uiteenzettingen over wat ik allemaal gevonden had mijnerzijds”.

Het boek zelf heeft nog slechts één niet geheel onbelangrijke reactie uitgelokt. Dat Jerry Wilson de plaats innam van André Fraigneau, de eerste homoseksuele man voor wie Yourcenar in de jaren dertig vergeefs een grote passie opvatte, is zeker. Als zij na een hartoperatie in 1985 ontwaakt, noemt zij Jerry onophoudelijk André. Maar of Yourcenar Wilson al voor de dood van Grace had uitverkoren om haar te vergezellen op haar toekomstige reizen is in het boek nog een onbeantwoorde vraag. Een met Yourcenar bevriende boekhandelaar in Brugge gaf alsnog uitsluitsel door Savigneau een kopie van een briefkaart te sturen waarop Yourcenar hem vroeg of hij niet een Belgische dame kende die als haar reisgezelschap kon fungeren.

Savigneau: “Het is een detail, maar veelbetekenend omdat het bewijst dat de overeenkomst tussen het leven van Yourcenar en dat van Hadrianus dat zij beschreef in haar misschien voornaamste werk Hadrianus' Gedenkschriften op toeval berust. Door Jerry ging zij zich hoe langer hoe meer vereenzelvigen met haar romanfiguur. Haar leven werd een roman, doordat Jerry Antinoüs, de jonggestorven vriend van Hadrianus, werd. Wellicht heeft haar beschermeling misbruik gemaakt van die wetenschap, hij was er tiranniek genoeg voor. Maar weten doe ik dat niet en het doet er ook niet toe. Zijn aanwezigheid heeft haar laatste jaren intens gelukkig gemaakt. In 1975 schreef ze: “Het voornaamste doel in het leven is: volmaakt worden”. Het zou goed kunnen dat zij, door Hadrianus te worden, voor zichzelf dat doel verwezenlijkt heeft.”