Het blikken ei; Christian Boltanski en het verdwenen huis in Berlijn

In het voormalige Oost-Berlijn in de Grosse Hamburgerstrasse is in de oorlog een huis verdwenen. Er staat nog wel een gat. Dat gat trok de aandacht van de Franse kunstenaar Christian Boltanski.

Die Endlichkeit der Freiheit Berlin 1990 - Ein Ausstellungsprojekt in Ost und West; Edition Hentrich, Berlijn 1990

Oost-Berlijn, eind november. De grote synagoge in de Oranienburger Strasse is nog niet voor bezoekers toegankelijk. De weg naar de ingang is versperd door roodwitte linten tussen paaltjes. Er staan veel steigers. Een voorman zegt dat het niet lang meer zal duren: de restauratie is binnen een paar maanden voltooid.

Even verder ga ik links de Grosse Hamburger Strasse in. De met kogelgaten bezaaide muren zien er bruingroen uit; de kleur van roest overheerst die van mos. Voor sommige ramen hangt vale vitrage. Andere huizen zijn niet bewoond. De vensters zijn niet eens gesloten en klapperen in de wind.

De Grosse Hamburger Strasse werd vroeger de straat der verdraagzaamheid genoemd. De evangelische kerk en het katholieke ziekenhuis staan er nog steeds. Ze waren niet ver verwijderd van de joodse jongensschool en het bejaardenhuis van de joodse gemeente, dat later als deportatiecentrum dienst zou doen.

Een hoge stoep heeft een motief van tientallen davidssterren. Vreemd dat ze die niet hebben weggesloopt. De deur van dit huis staat open. Binnen is een brede hal met een hok voor de conciërge, dat met stapels oude kranten is gevuld. Op de grond liggen vier brokstukken. Ze moeten niet lang geleden van het plafond zijn losgeraakt. Het geel van de gladde onderkant steekt scherp af bij het nog stofloze wit.

Er is hier geen nieuwbouw. Hoe vervallen de meeste huizen er ook uitzien, toch zijn ze aan de ondergang ontkomen. De kogelgaten zullen binnenkort wel met cement worden gedicht. Gevels met grijze cirkeltjes zijn tegenwoordig gewoon in Oost-Berlijn. In het voorbijgaan zie je soms dat een schilder met een paar verfstreken de gevulde gaten voorgoed aan het oog onttrekt.

Ik ben op weg naar een huis dat wel volledig is verdwenen. Het stortte in bij een bombardement in de nacht van 3 februari 1945. Het moet nu een langgerekte opening zijn tussen twee huizen die nog konden worden hersteld, een gat dat toen het puin na jaren was geruimd nooit meer werd gevuld.

Dit huis trok in het voorjaar van 1990 de aandacht van de in Parijs geboren schilder Christian Boltanski. Samen met twaalf andere kunstenaars, onder wie de Amerikaanse Barbara Bloom, de Rus Ilya Kabakov en de Italiaan Mario Merz, had hij een uitnodiging gekregen om in Berlijn, zowel in het oosten als in het westen, een werkstuk te maken. Ze mochten zelf twee plekken kiezen, het hinderde niet waar. De medewerkers van de Senatsverwaltung für Kulturelle Angelegenheiten, die de manifestatie organiseerde, zouden de genodigden bij de verwezenlijking van hun plannen terzijde staan.

Blauwdruk

Boltanski zocht een buurt die in kleur en architectuur nog iets had van het vooroorlogse Berlijn. Hij had al vaker iets gemaakt naar aanleiding van de recente geschiedenis. Met foto's, voorwerpen, kledingstukken en zelfs schaduwen probeerde hij steeds weer een beeld te geven van de vergankelijkheid.

Het gat in de Grosse Hamburger Strasse brengt Boltanski op een idee. Het moet nog mogelijk zijn het leven van het huis en zijn bewoners in kaart te brengen. De Fransman gaat met zijn assistenten Christine Büchner en Andreas Fischer aan het werk.

Eerst vinden ze de blauwdruk uit 1911. In verschillende adresboeken staan de namen van de huurders. Ze zoeken uit op welke verdieping die hebben gewoond. Het zijn voornamelijk kooplui, handwerkslieden en middenstanders van joodse afkomst.

Het onderzoek gaat verder. Boltanski en de zijnen achterhalen foto's van interieurs, verzekeringspolissen, inventarisatielijsten, deportatie-formulieren en andere stille getuigen. Ze komen zelfs mensen op het spoor die in het verdwenen huis hebben gewoond. Al hun herinneringen worden vastgelegd.

Die documenten stelde Boltanski in West-Berlijn ten toon. Ze lagen in vitrines, die hij op een voormalig tentoonstellingsterrein, nu een wilde tuin had laten neerzetten. Ze stonden in de open lucht; alleen de stenen trap naar een vroeger glaspaleis was nog bewaard gebleven.

Dat deel van Boltanski's werkstuk was alleen in september-oktober 1990 te zien. Een aantal papieren uit verscheidene archieven en particuliere verzamelingen is in de catalogus opgenomen. Maar het is nog steeds zichtbaar wat hij met het verdwenen huis in de Grosse Hamburger Strasse heeft gedaan, hopelijk voorgoed.

Aan de muren van de belendende percelen heeft hij langwerpige bordjes bevestigd met de naam en het beroep van de bewoner en de jaren dat hij in het huis verbleef. Het is een keuze van vierentwintig uit de meer dan honderd Berlijners die de onderzoekers hebben gevonden.

1933-1942 H. Budiszlawski, poelier; 1930-1933 G. Seefeld, timmerman; 1934-1945 C. Miteau, bedrijfsleidster; 1930-1942 J. Schnapp, ambtenaar; 1930-1931 M. Thomas, directeur; 1935-1945 G. Heinrich, glazenmaker; 1938-1943 D. Poznanski, kapper; 1935-1941 J. Prochaska, schilder.

Aan deze en andere namen, beroepen, jaartallen haken zich de geschiedenissen die de onderzoekers hebben opgetekend, wordt het verdwenen huis beweeglijk, schiet een verhaal als dit langs de muren:

“... en Jacobi, dat was een halfjood, die werkte op de beurs, hij liep altijd zo keurig netjes, later is hij in het water gesprongen, toen was zijn vrouw gestorven. Hij was altijd tip top het heertje, met z'n witte handschoenen en z'n servetten, die hadden wij niet. Hij liet z'n servetten nog buiten de deur wassen ook... Bij bombardementen ging hij ook nooit de kelder in, maar hij was stapelgek op mijn zoontje. Bij het luchtalarm kwam hij voor hem altijd met zo'n ei van blik aanzetten. Ik dacht nu gaat hij mee naar beneden, nee, maar dat ei moest de jongen hem later weer terugbrengen. Hij had er een stuk kandij voor hem ingedaan, vroeger had je toch van die kippen, die je met een tien pfennig stuk kon laten kakelen. Dan kwam er zo'n bontgekleurd ei te voorschijn en daar zaten dan twee snoepjes in. Als we terugkwamen na het alarm stond hij alweer op de trap te wachten, geef Onkel Jacobi dat ei terug en de volgende keer gaf hij dat blikken ei weer heel kort cadeau, steeds met een stukje kandij erin...”