Gesprek met de vader

De koning zat in een grote kamer aan de achterkant van zijn paleis, met uitzicht op de tuin. Maar hij keek niet naar de paden, de grasperken, de bloemen, de heesters en de bomen. Hij keek naar de wand tegenover de ramen, want daar hing een schilderij. Het portret van een man met een gekrulde pruik op zijn hoofd en een brede gestrikte das onder zijn kin. Die man was de vader van de koning.

Dat dragen we tegenwoordig niet meer, dacht de koning. Onze kragen staan recht overeind, strak om onze nek en we moeten het doen met ons eigen haar. Hij streek met zijn rechterhand over zijn hoofd, niet om te voelen of het er nog zat, want dat wist hij wel: dik en vol en goedgeknipt. Hij dacht aan zijn zoon, de prins, die al wel een beetje kaal begon te worden en die nog altijd maar prins moest blijven. Hij wordt koning, als ik er niet meer ben, zei de koning. Maar ik ben er nog.

Hij keek naar het portret van zijn vader en hij vroeg: Heb ik ook zo zitten wachten? Hij zag dat het portret knikte.

Maar ik heb nooit ergens anders koning willen worden, zoals de prins nu bezig is te doen. Hij zag, dat het portret bijna begon te lachen en hij dacht: Ik heb het twee keer geprobeerd. Helemaal misgegaan. Niets van terecht gekomen.

Hij vroeg: Wat vindt u? Moet ik hem zijn kans geven? En hij wees naar het zuiden, waar hij wist, dat de prins nog moest zijn. Hij dacht: Vader zegt vast en zeker ja, dat moet je doen. En dan kan ik niet eens antwoorden: Nee, want u heeft mij ook laten wachten. Dan zou zijn vader immers op zijn beurt zeggen: Dat is niet waar. Ik heb je nog bij mijn leven mijn kroon en mijn troon gegeven.

Ja, zei de koning hardop, dat heeft u gedaan, omdat u zelf geen zin meer had in uw koninkrijk. Maar hij had beter zijn mond kunnen houden, want hij zag, dat het portret langzaam een rood gezicht begon te krijgen. Hij pakte het portret op, draaide het om en hing het met het gezicht naar de muur.

Hij liep naar het raam en daar zag hij de tuin met paden, bloemperken, bomen en de rest en hij zei: Allemaal voor mij. Maar wat ziet het er vreemd uit. Helemaal rood.

Dat komt door de ondergaande zon, hoorde hij achter zich zeggen. Hij draaide zich om. Niemand in de kamer en het portret hing weer gewoon aan de muur.