Gene

De zitplaatsen voor de nachttrein van Palembang naar Panjang zijn uitverkocht. Als wij morgenochtend in de zuidoostpunt van Sumatra willen zijn moeten wij genoegen nemen met staanplaatsen derde klas. Willen wij dat?

Terwijl we ons in de drukke stationshal proberen voor te stellen hoe dat zou zijn, een nachtelijke treinreis van twaalf uur zonder eigen stoel, nadert een wat opgewonden Indonesische jongen. Hij had ons gehoord aan het loket, zegt hij in gebroken Engels, we moeten die staanplaatsen in de trein maar niet nemen. Hij weet wel een manier om nog aan zitplaatsen te komen. Eerste klas. Of wij hem maar willen volgen.

Wat wantrouwend lopen we met onze rugzakken achter hem aan. De stationshal door, een trap op, een deur door, een gangetje in, naar een loket waar hij wat smoest met een dame in uniform.

Kunnen we hier echt kaartjes krijgen voor de trein, willen we weten.

“Ja, ja, snel, geef 40.000 Rupiah”, lispelt onze onbezoldigde gids, temidden van een groepje toegestroomde nieuwsgierigen. Veertig gulden. Zouden we voor dat bedrag worden opgelicht? Even later hebben wij de kaartjes in handen. Die vermelden inderdaad de geplande reis en het bedrag dat wij zojuist hebben betaald.

“Zie je wel”, zegt de jongen. “De prijs staat erop. Je betaalt niets te veel.”

Om ons wantrouwen goed te maken trakteren we de behulpzame man op een drankje in het restaurant aan de zijkant van de stationshal. Hij vindt het prettig om buitenlandse toeristen te helpen, zegt hij. Samsom heet hij trouwens.

Zelf reist hij ook, en als hij op reis is waardeert hij het ook altijd als andere mensen iets voor hem doen. Bovendien leert hij door het contact met buitenlanders steeds beter Engels.

Een uur later betreden wij gezamenlijk het perron. Maar daar steekt het wantrouwen weer de kop op. Waarom mogen al die andere mensen wel instappen en wij niet? Samson: “Omdat die mensen in de derde klas zitten. De eerste klas gaat altijd later open, om te voorkomen dat iedereen er doorheen gaat lopen. We moeten gewoon nog even wachten.”

Nou goed.

Een kwartiertje later kunnen wij inderdaad instappen om onze plaatsen op te zoeken. De stoelen 4A en 4B. Prima plaatsen. Niks aan de hand.

Enigszins gegeneerd nemen we afscheid van onze gids, en excuseren ons voor het getoonde wantrouwen. Lelijk voelen wij ons. Rijke westerse toeristen die zo bovenop hun geld en hun spullen zitten dat ze in iedereen een potentiële belager zien. Bah!

Een kwartier voor vertrek komt een meneer de coupé inlopen, kaartjes in de hand, zoekende blik in de ogen, gezin in zijn kielzog. Hij stopt bij onze rij, kijkt niet-begrijpend van zijn kaartjes naar de nummers boven onze stoelen en terug, en vraagt of wij deze plaatsen hebben gereserveerd.

Ja, dat hebben wij. Ik laat onze tickets zien.

De man bekijkt ze aandachtig. Hij heeft kaartjes voor dezelfde stoelen. Vreemd.

Ergens moet sprake zijn van een misverstand, zegt hij. Hij zal wel even een conducteur roepen. Een paar minuten later keert de man terug, met een conducteur. Wij vrezen het ergste: Samsom heeft ons dus toch nepkaartjes in de maag gesplitst.

De spoorwegbeambte bekijkt de plaatsbewijzen en spreekt het verlossende woord: wij moeten gewoon een coupé verder zijn.

Met een sonoor fluitsignaal rijden wij het station van Palembang uit, de aardedonkere nacht in.

Zelden zijn we wij zo heen en weer geslingerd geweest tussen wantrouwen en schaamte.