Enkele reis Lelystad; Jonge Nederlandse filosofen

Ergo Cogito I: tien filosofische lezingen. Red. Frans Geraedts en Leonard de Jong. Historische Uitgeverij Groningen, 1988, 192 blz. Prijs ƒ 25,-

Ergo Cogito II: een nieuwe stijl van denken. Red. Frans Geraedts en Leonard de Jong. Historische Uitgeverij Groningen, 1989, 210 blz. Prijs ƒ 27,50

Ergo Cogito III: portret van een generatie. Red. Frans Geraedts en Leonard de Jong. Historische Uitgeverij Groningen, 1991, 171 blz. Prijs ƒ 27,50

Er is in Nederland een generatie van jonge filosofen, die zich van de vorige onderscheidt door een nieuwe stijl van denken. Dat is althans de stelling van Frans Geraedts en Leonard de Jong, redacteuren van de filosofische reeks Ergo Cogito. Zij willen de oorspronkelijkheid en de verscheidenheid van het jongste denken in Nederland voor het voetlicht halen. Met de verscheidenheid zit het wel goed. Elk van de drie tot nu toe verschenen bundels bevat tien lezingen, waarvan de onderwerpen variëren van de traditionele metafysica tot smeergeld-affaires en kunstmatige intelligentie. De inleiders van de bundels, de "oude' academische filosofen Delfgaauw, De Boer en Verhoeven, weten niet echt raad met deze verscheidenheid. De belangrijkste gemeenschappelijke trek die zij bij de jonge denkers zien is dat deze de filosofie méér dan vroeger op het eigen leven betrekken. Maar dat gold ook al voor de naoorlogse aanhangers van het existentialisme in Nederland. Als dat het enige is, is er een terugkeer naar een oude stijl van denken en geen nieuwe. Misschien is de intellectuele mode wel sterker onderhevig aan een slingerbeweging dan de filosofen zelf willen toegeven. Karen Vintges onderstreept dat in haar lezing over Simone de Beauvoir in Ergo Cogito III als zij enkele opmerkelijke overeenkomsten tussen het existentialisme en het postmodernisme vaststelt. Toch zouden de jonge denkers zich geen van allen existentialist noemen.

Oorspronkelijkheid is een noodzakelijke, maar niet een voldoende voorwaarde voor een nieuwe stijl van denken. Een bepaald soort oorspronkelijkheid is te vinden bij enkele auteurs, die de filosofie op een inventieve manier gebruiken om een actuele discussie te lijf te gaan. Zo geeft Annemarie Mol in Ergo Cogito I een kritische analyse van de gezondheidszorg, en demonteert Odile Verhaar in Ergo Cogito III de standpunten rond de geruchtmakende benoeming en het ontslag van de rectrix van het Barlaeusgymnasium in Amsterdam. Deze lezingen blinken uit door helderheid. Desondanks zijn deze auteurs geen vernieuwers van het filosofisch denken; ze brengen eerder een nieuwe stijl van toepassen van filosofie.

De veranderingen in het denken zelf zijn het onderwerp van de lezingen van René Boomkens en van Pieter Pekelharing in Ergo Cogito 1. Opvallend genoeg gebruiken beide auteurs metaforen, die een bescheidener opstelling van de filosofie suggereren. Pekelharing spreekt over een verandering in de positie van de filosoof van "rechter naar tolk'. Maar "rechter' is een metafoor voor een filosofendroom, en niet voor de daadwerkelijke plaats van de filosofie in Nederland. Als er in Nederland al een culturele "rechter' is geweest, dan was dat de theoloog en niet de filosoof. De metafoor zegt dus niets anders dan dat de filosofen wakker geworden zijn. De metafoor van Boomkens is rijker aan betekenis. Hij ziet de nieuwe filosoof niet meer rondlopen in de metropool, maar in de buitenwijken. De plattegrond van het huidige denken lijkt niet op die van Amsterdam, een stad waar de existentialist zich nog thuisvoelde. Hij heeft meer weg van Lelystad, een plaats zonder centrum. De filosoof moet zich in deze situatie opnieuw leren bewegen. Er is geen grachtengordel, die het domein van het filosofisch denken afschermt en het tegelijkertijd in het centrum van het intellectuele leven plaatst. Denken in Lelystad is eclectischer, maar ook persoonlijker. Dit denken laat de alomvattende theorie voor wat ze is. Maar bovenal krijgt de filosoof in Lelystad te maken met een gehoor, dat niet uit mede-filosofen bestaat. De duidelijkste getuigen van deze nieuwe stijl van denken lijken me niet eens zozeer de lezingen in de Ergo Cogito-bundels zelf. Het zijn eerder de romans van jonge schrijvers als Dirk van Weelden (zijn lezing over Gertrude Stein is in Ergo Cogito I afgedrukt), M. Februari en Connie Palmen.

Vernieuwing van het denken kan niet zonder een losser omgang met de helden van de filosofie, of die nu klassiek, modern of post-modern zijn. In de heldengalerij van veel auteurs van Ergo Cogito staan Nietzsche, Heidegger, Foucault, Freud, Baudrillard en Bataille nog onaantastbaar opgesteld. Voor sommigen gaat de identificatie met de filosofische held zo ver, dat zij zich gaan gedragen als zijn filiaalhouder voor het rayon Nederland. Standpunt en stijl van de held worden overgenomen, en het enige nieuwe dat deze auteurs te bieden hebben, is dat ze met een bestaand produkt een nieuw publiek proberen te veroveren. Het meest sprekende voorbeeld daarvan is Wouter van Gils in Ergo Cogito III, die in zijn lezing "De eliminatie van de dood' zo'n perfecte samenvatting van het werk van Baudrillard geeft, dat hij niet de dood maar het eigen denken elimineert. Ook enkele andere auteurs zijn eerder filiaalhouders dan oorspronkelijk denkers. Voor een "nieuwe stijl van denken' is méér nodig dan het lezen van boeken, die de vorige generatie niet las.

De naoorlogse filosofie in Nederland is een subcultuur, die weinig verschilt van allerlei wetenschappelijke subculturen met hun eigen bladen en pikorde. De samenstellers van Ergo Cogito lijken nog niet echt van die subcultuur af te willen. Pas wanneer Cornelis Verhoeven als inleider is ingeruild voor Rudy Kousbroek, of Theo de Boer voor Frits Bolkestein, kan het jonge denken bewijzen wat het echt waard is.