Een dik dommerdje

De Chinese schrijver Duoduo denkt met veel plezier terug aan zijn kinderjaren; hij was een brave hendrik die zich volstopte met eten en voortdurend van zijn stoel zakte omdat hij in slaap viel. Maar op een dag zag hij Mao Zedong vanuit een jeep naar hem wuiven, en was zijn jeugd voorbij.

Duoduo spreekt zondag 12 januari om 14.30 uur in de Balie in Amsterdam, in de lezingenreeks Het Kantelend Wereldbeeld van de NOVIB. Deze tekst is een gedeelte van zijn inleiding. Donderdag 16 januari leest Duoduo in het bibliotheektheater in Rotterdam tijdens Story International.

Als ik terugkijk, schaam ik me geregeld voor de middelmatigheid van mijn kindertijd: ten aanzien van deze wereld hield ik er niets op na dat ook maar deed denken aan een eigen mening. Net als ontelbare andere kinderen werd ik lid van de Communistische Jonge Pioniers en legde de eed af aan de martelaren van de revolutie; tegelijkertijd was ik gewoon een kleine dikzak die heel aardig kon tekenen en zingen, voor taal altijd een tien haalde en met wiskunde veel begripsfouten maakte, die braaf en meegaand was en niet hield van proefwerken of vet vlees. Als middelbaar scholier liep ik talloze marsen, kreeg militaire training, leerde schieten; ik moest op het land werken en alle mogelijke vormen van "klassenonderwijs' ondergaan, inclusief de dagelijkse politieke preek van het schoolhoofd, maar dit alles heeft mijn geest niet kunnen brandmerken. Sterker nog ik denk met veel plezier terug aan mijn kinderjaren, en voel tot op heden de neiging een roman te schrijven met als onderwerp die periode van mijn leven, omdat ze voor mijn gevoel niets is dan een lege plek. Ik was niet in staat me enige gedachte werkelijk eigen te maken, begreep nergens iets van, verzandde in apathie, kon niet bij de les blijven, haalde me de meest vreemde dingen in het hoofd; maar ik was ook een brave hendrik, stopte me vol met eten en drinken, voetbalde zoveel dat ik elke week een nieuw paar schoenen moest hebben, zakte voortdurend zonder waarschuwing van mijn stoel omdat ik in slaap viel en werd met regelmatige tussenpozen 's nachts geschrokken wakker: een zaadlozing! Zelfs over dat laatste vroeg ik me nauwelijks iets af: ik dacht überhaupt nergens over na, had een matte blik in mijn ogen en droeg een bril voor bijziendheid maar bleef blind voor de wereld om mij heen, was niets dan een ventje in de puberteit dat met grote en daarna nog grotere snelheid opgroeide. Dat groeien van mijn lichaam maakte me onbeschrijflijk onhandig, maakte dat ik nergens anders meer oog voor had: eerst was het "Lang leve de Communistische Partij' en "Weg met het Amerikaanse imperialisme', later werd het "Weg met de Communistische Partij' en "Lang leve het Amerikaanse imperialisme', maar zelfs wie het was die deze ommekeer tot stand had gebracht kon me niet schelen. In zekere zin zou je kunnen zeggen dat ik erg "postmodern' was.

En het was dit dikke dommerdje met zijn eerste jeugdpuistje dat op zijn veertiende, op twintig meter afstand, een legerjeep met daarin Mao Zedong voorbij zag suizen; en in het ogenblik dat Mao's reuzenhand naar hem wuifde, vonden de kinderjaren van het dommerdje een einde.

Kat

Op zekere dag ontdekte ik, thuisgekomen uit school, dat het huis waar een vader, een moeder, een zus en een kat bij hoorden nu voor algemeen gebruik leek te zijn. Meer dan twintig lieden met rode armbanden om verdrongen zich bij de deur van de wc, wachtend op hun beurt. Pratend en lachend keerden ze de kisten om en haalden de kasten leeg. Ach - ze waren nog jong. Een van hen, die geknield bezig was een van onze kisten te verzegelen, keek op.

“Waar is jullie kat gebleven?” klonk het, uiterst vriendelijk. (Huisdieren waren bourgeois en dus verboden). En toen: “We hebben geen tijd om op dat beest te wachten. Knap dat zelf maar op.”

Een ander viel hem in de rede: “En als je dat niet over je hart kunt verkrijgen, breng hem dan naar de dierentuin als voer voor de tijgers, je weet wel, hergebruik van het afval, en misschien krijg je er nog wel een kwartje voor ook.”

Mijn vader stond nederig naast mij, voor zich uit kijkend tot hij, kleine magere man, me een knipoog gaf die ik veel later pas begreep: verwijt me niet dat ik onze kat niet kan beschermen, want het is nog erger: ik mag niet eens jouw vader zijn.

Door me onder mensen met een arbeiders-boeren-soldaten klasse-achtergrond te begeven, door met tranen in mijn ogen "Lang leve voorzitter Mao!' te roepen had ik gedacht opgenomen in het collectief een wedergeboorte mee te zullen maken. Maar dat bleek een illusie: mijn vader had me een klasse-achtergrond meegegeven die wel een erfzonde leek te zijn. Ooit had hij de organisatie van de Communistische Partij verlaten en was naar Amerika geweest, en nu genoot hij de geringe status van "intellectueel', hetgeen impliceerde dat hij "doelwit van de revolutie' was. Zo kon het gebeuren dat ik, getuige van de wreedheden van deze kerels in uniform, met kaalgeschoren hoofden en met hun riemen anderen slaand - de Rode Gardisten -, daar weliswaar een natuurlijke afkeer van voelde, maar geen schuld. Zonder zelf veroordeeld te zijn tot slaan, of tot geslagen worden, had ik tegenover Mao Zedong slechts berouw over de zonde die ik geërfd had; zondaren slaan was een manier om boete te doen voor zijn eigen zonde.

Toen ik vijftien was vond ik het vreselijk dat ik zelf vanwege mijn afkomst aanvankelijk geen Rode Gardist kon worden, om op die manier deel te worden van een gewelddadig systeem, om op die manier te kijken of ik de "revolutionaire moed' bezat met een tang het gebit van oude mensen tand voor tand uit hun mond te trekken, of misschien een menselijk geweten had en hoe dan ook zulke afschuwelijke straffen zou afwijzen. Kort en goed: ik kreeg eenvoudig die kans niet, en kan dus over mijn menselijkheid niets met zekerheid zeggen; ik mag blij zijn dat tot op heden aan mijn handen geen bloed kleeft, dat is alles. Toentertijd zag ik ooit een stel meisjes, van wie er een, naar ik me herinner, beeldschoon was. Haar voeten - blote voeten waren mode onder de Rode Gardisten - waren rank en breekbaar, en die twee elegant gevormde voetjes bleven uiterst vasthoudend op de hals van een oude vrouw staan, weigerden lang nadat de vrouw de laatste adem uitgeblazen had een stap te verzetten; het gezicht van dit prachtige meisje toonde onder de schreeuwen van de oude vrouw en toen ze het bewustzijn verloor geen spoor van medelijden. Misschien is dat meisje nu al wel moeder, en bezig aan Harvard te promoveren in antropologie.

Volgens mij heb ik het me tussen mijn vijftiende en mijn twintigste nooit afgevraagd: is een wereld waar dagelijks mensen op een dergelijke, absurde manier aan hun eind komen niet domweg krankzinnig? Nee, nooit en te nimmer, want ik nam Mao's leerstelling voor waar aan: revolutie is gewelddadig van aard. En "gewelddadig' wilde zeggen dat zij een aantal mensen het leven moest kosten. (Dat doet me denken aan een al in 1964 vertoonde documentaire, waarin Chinese soldaten elkaar juichend en zelfs tot tranen geroerd feliciteren: China had een atoombom weten te produceren). Niet alleen dat: behalve in de vernietiging van honderdduizenden mensenlevens school de grootsheid van de Grote Proletarische Culturele Revolutie vooral in de vernietiging van de geschiedenis. Net als Rodin in de beeldhouwkunst schrapte Mao's vaardige pen al het "overtollige' van die geschiedenis: dat overtollige deel was, denk ik, ons historisch bewustzijn. Terwijl de voltallige Chinese bevolking slachtoffer van de Culturele Revolutie is, heeft bij mijn weten tot op heden geen van de Rode Gardisten van toen ook maar een letter op papier gezet, voor de geschiedenis: ik heb mensen geslagen, ik heb mensen gedood, ik heb mensen hun oren afgesneden. Het vernietigen van wat in de toekomst dat overtollige deel van de geschiedenis zou zijn, is Mao Zedong inderdaad gelukt.

In de jaren dat ik met zoveel overgave in Mao geloofde was mijn eigen levensbeschrijving die van één van een groep schoffies, maar ook dat stemde overeen met een belangrijk punt uit Mao's leer: massabewegingen zijn bewegingen van het tuig (een bewering die de niets ontziende aard van dit soort campagnes aan moest geven). Maar zelfs Mao Zedong kon de van God geschapen mens niet van zijn veelsoortige verlangens afhelpen.

Halter

Op zekere dag ontmoette ik een stoer aandoende studente met een prachtig gezicht. Ze was drie jaar ouder dan ik en heette Zhu Xiaorou. Tijdens mijn fanatieke trainingen met de halter staarde ik vaak uit de verte naar haar raam, waarachter het licht tot diep in de nacht brandde: het silhouet van een onverzettelijk strijder voor de revolutie, die met de lange legerjas over haar schouders tot het ochtendgloren in de Marxistisch-Leninistische canon las. Op zekere dag stelde ik haar een vraag: waarom las ze?

“Om bewuster te leven.”

Een jaar later, toen we op een avond met zijn tweeën zaten te praten, vroeg ze me: “Vind je niet dat een vertoning waarbij miljoenen mensen op het Plein van de Hemelse Vrede uitzinnig schreeuwen: Lang leve voorzitter Mao, iets weg heeft van een godsdienstig ritueel? Het is je reinste afgodsverering.” Wat ze daarna zei was nog erger: “Weet je van de Nazi's in de Tweede Wereldoorlog? Die juichten Hitler toe, in eenzelfde ritueel. Dacht je echt dat de Culturele Revolutie uniek was in de geschiedenis? Er is niks nieuws aan. Ik heb het er met anderen over gehad: we moeten ons verzetten tegen deze tijd, want het is een levensgevaarlijke tijd . . .”

Ik voelde schaamte, woede; dit alles druiste tegen mijn hele wezen in en ik haastte me dan ook een tegenpleidooi te houden, maar even later legde ik het hoofd zonder verdere plichtplegingen in de schoot. Immers, wat zij verkondigde wilde geen grootse waarheid zijn; het was niets dan de meest algemene historische kennis, en als ik die eerder had bezeten, de verbanden eerder had gelegd, had ik Mao nooit gevolgd. Misschien was het inderdaad zo een simpel en vanzelfsprekend iets dat me toen geschokt heeft. En was dat deel van mijn leven waar de schok aankwam dan mijn wereldbeeld? Vormden die paar woorden van Zhu Xiaorou de eerste barsten in dat wereldbeeld? Het valt te vrezen dat zelfs dat teveel gezegd zou zijn: ik had nooit enig wereldbeeld gehad, had slechts een mij opgedrongen zienswijze omarmd, dat was alles. In de woorden van Zhu Xiaorou, was met ons door Mao Zedong "een spelletje gespeeld'.

Daarop kwam de vraag die ik mezelf op mijn vijfde gesteld had weer bovendrijven. Toen had ik de vraag aan mij niet aan ons gericht. Daarom was ik bang slechts mij te zijn, was ik bang slechts een individu te zijn. Daarom wilde ik een lief kind worden waar papa en mama veel van hielden (dat werd ik), een goed scholier zijn die een pluim van de leraar kreeg (dat was ik), Rode Gardist worden (dat werd ik niet) - en daarom vroeg ik het mezelf van mijn vijfde tot mijn achttiende geen tweede keer: Wie ben ik? Maar ook toen ik de vraag stelde wie Mao Zedong was, was mijn eigen zelf nog niet ontwaakt. Toen lagen alle wegen nog voor me open, net als voor talloze andere jonge mensen: in Mao geloven of Mao verwerpen, Rode Gardist zijn of soldaat worden, gaan studeren in China of in het buitenland, ambtenaar of sjacheraar worden, activist voor de democratie of naar het westen verbannen economische vluchteling; en als de politieke situatie in China zou veranderen weer teruggaan en daarna ik-weet-niet-wat worden, of juist in het westen blijven, bij een bedrijf gaan werken, bezitter van een huis en een auto worden - kortom, zolang de samenleving zou blijven veranderen zou ik in haar kielzog mijn veranderende rollen blijven spelen, tot ik zou sterven (de allerlaatste rol, waaraan geen van ons ontkomt).

Vert. Maghiel van Crevel