Dollarkoers in 1991 per saldo weinig veranderd

Een terugblik op het koersenverloop op de internationale valutamarkten gedurende het roerige jaar 1991 leert dat de Amerikaanse dollar eind december weer op het niveau was beland waarop hij begin 1991 stond.

Na een kortstondige stijging, begin januari vorig jaar, daalde de dollar op het uitbreken van de Golfoorlog voornamelijk door de angst dat het een langdurige, bloederige en kostbare aangelegenheid zou worden. De oorlog zou de economische teruggang die medio 1990 was ingezet, nog versterken. Sinds medio februari bleek evenwel, dat de geallieerden korte metten maakten met de Irakezen en een post-Golf-euforie maakte zich meester van de Amerikaanse munt. Niet gehinderd door negatieve renteverschillen met Europa en Japan, en vooral op basis van de verwachting dat economisch herstel niet lang op zich zou laten wachten, begon de dollar aan een opmars die pas begin juli tot een einde kwam. Toen werd duidelijk, dat de Amerikaanse economie er helemaal niet zo best voorstond en de renteverschillen met andere landen toch wel erg groot waren geworden. Optimisme sloeg om in pessimisme en de dollar ging - op een korte onderbreking medio augustus na tijdens de coup in Moskou - op de terugweg.

De aanvankelijke kracht van de Amerikaanse munt was overigens voor een deel ook de weerspiegeling van een zwakke Duitse mark. Nadat financiële markten in 1990 nog euforisch waren over de Duitse éénwording, sloeg de twijfel afgelopen jaar toe. De kosten van het éénwordingsproces zouden gigantisch zijn en de wijze waarop de economische en monetaire vereniging was geregeld, boezemde weinig vertrouwen in. Daarenboven was sprake van politieke instabiliteit in een aantal Oosteuropese landen. In Joegoslavië brak zelfs een burgeroorlog uit en in de Sovjet-Unie werd de situatie steeds chaotischer. De Duitse munt leed hieronder door de geografische nabijheid van deze landen en de grote financiële belangen die het Duitse bankwezen in met name de Sovjet-Unie heeft.

De Duitse centrale bank zag zich in 1991 genoodzaakt om de geldmarktrente op een hoog niveau te houden, aanvankelijk vooral vanwege een oplopende inflatie en later, vanwege de aanhoudend starre houding van de vakbonden die vanuit monetair gezichtspunt excessieve looneisen stelden. De andere EMS-partners hebben het geweten. Door het vrije kapitaalverkeer ontbrak het hen aan ruimte om - gegeven de vaste wisselkoersen in het EMS - hun renteniveaus te verlagen. Van monetaire stimulering ter bestrijding van kwakkelende economieën kon zo geen sprake zijn. Het zijn heden ten dage de Duitse centrale bank en de Duitse vakbonden die het conjuncturele lot van Europa bepalen.

Alleen in het Verenigd Koninkrijk en Spanje bleek het mogelijk om de rente eenzijdig te verlagen. De munten van beide landen participeren nog niet zo lang in het EMS. Vooral voor de Britten geldt dat hun entree in het wisselkoersstelsel disciplinerend moest werken op de binnenlandse loon- en prijsontwikkeling. Vorig jaar is dat aardig gelukt, hetgeen de eerder vermelde rentedaling mogelijk maakte, zonder aantasting van de positie van het pond in het EMS. Eind 1991 bleek het pond sterling echter de grens van het (voorlopig) mogelijke te hebben bereikt. Met een bandbreedte van plus minus 6 procent blijft sterling immers een munt met een aanmerkelijk neerwaarts risico. Ook de peseta heeft deze brede band. Hoewel ook de Spanjaarden hun rente verlaagden, bleven de renteverschillen met de rest van Europa zo aantrekkelijk, dat de Spaanse munt voortdurend bovenin het EMS verbleef.

De Japanse yen vertoonde globaal genomen een zelfde beeld als de dollar. Niet geplaagd door een éénwording of politieke onrust in Oost-Europa en, zeker aanvankelijk, gesteund door een robuuste economische ontwikkeling steeg de yen mee met de dollar. Een combinatie van financiële schandalen en groeiende renteverschillen met Europa deden de Japanse munt in de tweede helft van 1991 in waarde dalen. Ten opzichte van de dollar is de Japanse munt per saldo duurder geworden. Met name gebeurde dit in het laatste kwartaal en wel onder invloed van de vaak geuite wens om het groeiende handelsoverschot met de VS terug te dringen, onder andere door een duurdere yen.

Bron: Rabobank Nederland/ Directoraat Financiële Markten