De verplaatsing van historische gebouwen

Stadsgezichten 1860 1975 Amsterdam in de Verbeelding; tekst Melchior de Wolff; samenstelling Hans Aarsman & Hans van der Meer. Uitg. Boekhandel De Verbeelding. Prijs ƒ 34,50.

Stadsgezichten 1860 1975 Amsterdam in de verbeelding: achter deze wat ingewikkelde titel gaat een verzameling van 82 historische foto's schuil, geselecteerd uit de Gemeentelijke foto-archieven. Net als bij het soortgelijke boekje over het Paleis van Volksvlijt is de selectie het eigenlijke kunstwerk. Er zijn namelijk kasten en kelders vol met zulke archieffoto's. In de woorden van Melchior de Wolff: “De Dienst Stadsontwikkeling, de Gemeentelijke Dienst Volkshuisvesting, de Afdeling Publieke Werken van de stad Amsterdam... hebben tientallen jaren achter elkaar vele duizenden foto's laten maken. Dat moet gebeurd zijn op gronden die nu niet meer zijn te achterhalen, maar bij het minst of geringste werd er een fotograaf de straat op gestuurd, meestal met niet meer dan de taak een "overzichtsfoto' van een bepaalde locatie te maken. Koesterde men plannen om ergens een vluchtheuvel aan te leggen, een tunnel te bouwen, een tramhalte of urinoir te verplaatsen, een plantsoen te veranderen in een parkeerterrein, een braakliggend stuk grond ter hand te nemen - dan moest er om te beginnen een ambtenaar met een camera naartoe.”

Geen wonder dat het desoriënterende van veel van deze foto's lijkt te berusten op het ontbreken van vluchtheuvels en tunnels en de illusie dat er meer plantsoenen zijn dan parkeerplaatsen; overigens formuleerde Melchior dat een tikje demagogisch: de meeste plantsoenen, blijkt bij zorvuldige bestudering van dit boekje, moesten niet plaats maken voor parkeerterreinen maar voor kinderspeelplaatsen: dat was vooral in de jaren zestig een soort ideologische oppositie, een tegengesteld begrippenpaar.

Zo geven deze foto's en passant een inzicht in bepaalde belangrijke tijdgebonden vragen, bij voorbeeld in welk jaar ernst had moeten worden gemaakt met 't systematisch doodknuppelen van architecten. 1 Januari 1960 zou vermoedelijk een geschikte datum zijn geweest; de kans een onschuldige op te offeren was toen vermoedelijk al te verwaarlozen (en trouwens, Dieu reconnaitra les siens).

Een bijzondere eigenschap van deze foto's is, zoals in de inleiding meer dan één keer wordt benadrukt, het volstrekt ontbreken van artistieke opzet. Het ging er, net als bij pornografische foto's, alleen om een bepaalde situatie duidelijk weer te geven; en net als met pornografische foto's levert dat een eigenaardig esthetisch effect op. Vooral moderne gebouwen krijgen bij voorbeeld soms iets utopisch, ze geven weer wat de idealistische ontwerpers voor de geest moet hebben gestaan; het ziet er anders gezegd uit alsof de utopie gelukt was: schaarse, keurig geklede mensen fietsen zindelijk glimlachend door een opgeruimd decor met zelfgemaakte boompjes (75, Betuwestraat). Zelfs de wolken aan de hemel zien er "modern' uit, en dat is toch iets dat moeilijk aan opzet kan worden toegeschreven.

Overigens moet de eerste prijs voor abstractie zonder discussie naar No 26: "Hoofdweg gezien vanaf het Mercatorplein in de richting van de Erasmusgracht, begin jaren '30'. Het moet een onverbiddelijke tijd zijn geweest, vol bijlessen en figuurzagende jongens (meisjes bestonden nog niet); de vraag naar het doel van de Schepping wordt bij zo'n foto onontkoombaar.

Op de meeste andere foto's krijg je meer het gevoel dat er maar wat aan werd gemodderd, zodat er nog enige hoop is op verlossing of tenminste een bestaan dat onopgemerkt blijft. Sommige oudere stadsfoto's zien er uit als studiodecors uit vooroorlogse spektakelfilms, spelend in een of andere balkanstad, met komische dikke waardinnen en kerels in klederdracht, bijvoorbeeld No 81: het Rembrandtplein, omstreeks de tijd dat Pisuisse er werd doodgeschoten.

Je hebt moeite te geloven dat het dezelfde plek is; dat geldt uiteraard wel vaker voor oude foto's, zoals de oudste foto in het boek: een opname van het Leidseplein uit 1860 (No 53, ongelofelijk), en de Albert Cuypstraat (No 2), die anno 1880 nog de aanblik bood van een kanaal met houtzaagmolens. Van het Surinameplein zijn opgenomen een foto uit 1915 (56) en een uit 1961 (65); je kunt ze tegelijk bekijken door de tussenliggende bladzijden bijeen te houden; dat gaat helaas niet met No's 5 en 74, zijnde de N.Z. Voorburgwal in resp. 1880, voordat hij gedempt werd, en in 1961, min of meer zoals hij nu is. Ook heel merkwaardig is wat ik in arren moede maar aan zal duiden als "het effect van de verplaatsing van historische monumenten', bij voorbeeld No 13: de Paulus Potterstraat in 1894, waarop het Rijksmuseum en het Stedelijk Museum ten opzichte van elkaar verschoven en gedraaid lijken te zijn. Een andere enerverende puzzle is de grote foto over twee bladzijden van de Hobbemakade hoek Ruysdaelkade (70/71, 1922): aan de horizon is van alles dat daar niet hoort, misschien kopieën van bekende gebouwen die ze later weer hebben afgebroken?

Intussen zijn het niet dergelijke anekdotische vergelijkingen die dit fotoboek waardevol maken, maar een subtiele, moeilijk te achterhalen manier van zien: alsof je telkens in een put kijkt, of zo vergaat het mij tenminste, en moet vaststellen hoe diep het is. Er is naar geen enkel gemakkelijk effect gestreefd, maar toevallig is de selectie ook niet. Soms is het of de oudere foto's onwerkelijk zijn (transparant bijna), soms de recente. Relatie met Amsterdam zoals ik het ken is er eigenlijk maar weinig; wat blijft is een sterk gevoel van het tijdelijke en vergeefse van alles, met vooral de modernere architectuur meer en meer als een vorm van misleiding, waarmee de mensen eindeloos kunnen worden gesard en gekleineerd; het is idealisme op de manier van No 22: "woningbouw voor zogenaamde asociale gezinnen'. Het doet een beetje aan mijn internaat in Indië denken.