De sfinx uit het Noorden; Henrik Ibsen en het uitzichtloze verlangen

Met de personages die de toneelstukken van de Noor Henrik Ibsen bevolken loopt het altijd slecht af. Ze zoeken de dood in de veronderstelling verlost te zullen worden van de verlangens die hen kwellen. Wie was de man die zijn personages zo liet lijden? Voor de een was hij gesloten als een bergwand, de ander spreekt van vriendschappelijkheid en warmte. In de komende maanden worden verschillende van Ibsens toneelstukken opgevoerd.

“Een mens heeft toch niet een enkele wil, maar twee.” Rebecca West uit Rosmersholm van Henrik Ibsen legt de vinger op de wonde. Indien de mens een enkele wil had, dan bestond de eeuwige innerlijke tweestrijd niet, en was er evenmin sprake van drama. Toneel bestaat door conflict. Dat trekt de personages naar elkaar, dat is in toneel wat we herkennen en waarom het ontroert.

Ergens anders in Rosmersholm verzucht Rebecca West: “O, die dodelijke twijfel.” Deze woorden liggen in het verlengde van de vorige. Wie beseft dat er twee stemmen spreken in zijn of haar hart, zonder dat een van beide tot zwijgen gebracht kan worden, wordt verteerd door twijfel.

Geen toneelschrijver voor de Noor Henrik Ibsen (1828-1906) bracht onoplosbare dilemma's en inwendige strijd zo streng op de planken, dat het lijkt of hij geen mededogen kende met zijn personages. Hun twijfel is hun doem. Ze gaan te gronde aan tegengestelde verlangens, die diep in hen broeien.

Sinds Ibsens Nora uit Een poppenhuis (1878-'79), mevrouw Helene Alving uit Spoken (1880-'81), Rebecca West uit Rosmersholm (1885-'86) of Hedda Gabler uit het gelijknamige drama (1889-'90) heeft het fatum zich al voltrokken voordat de gordijnen opgingen. Alle personages van Ibsen, of ze nu een hoofd- of bijrol vervullen, hebben een levensgeschiedenis achter de rug op het ogenblik dat ze uit de coulissen te voorschijn komen. Dat was in zijn tijd gloednieuw. De duur van de uitvoering en de dialogen behelzen niets anders dan de ontraadseling van dat belaste verleden. Werkelijke bevrijding komt vaak pas in de dood aan het slot.

Rebecca West pleegt zelfmoord met Rosmer, de man met wie ze een tijdlang samenwoont zonder dat hij haar zijn liefde heeft verklaard. Zijzelf werd aldoor verteerd door "afschuwelijke hartstochtelijke verlangens'. Nu ze haar geluk heeft gevonden wil ze het vernietigen, ook om bevrijd te zijn van een slecht geweten. Rebecca is de moordenares van Rosmers eerste vrouw. Zij dwong haar tot de verdrinkingsdood door haar een schuldgevoel aan te praten, omdat het huwelijk kinderloos bleef. Terwijl Rebecca en Rosmer in dezelfde molenkolk omkomen, stamelt de huishoudster die het tafereel gadeslaat: “Nee. Geen hulp meer. - Mevrouw is ze komen halen.” Een dode sleurt twee levenden mee in het graf.

Telkens willen Ibsens karakters weg, weg van de benauwde plek waar ze wonen, naar buiten de nacht tegemoet of naar de hoogste ijzige bergtop of welbewust het steenkoude water in. Elke keer wacht hen daar de dood en hoewel zij dat weten, leven ze in de illusie ginds voorgoed verlost te zijn van hun slechte geweten of de twijfel. Dit geeft de toneelstukken een ongekende huiver.

De titelheldin uit Hedda Gabler speelt aan het einde met een revolver, waarmee ze zich in de slaap schiet. Ze verlangt naar bevrijding uit haar onverdraaglijk eentonige leven. Hedda is niet de eerste dode; eerder benam een door haar bewonderde man zich het leven. Waarom? Hij werd daartoe aangespoord door Hedda, omdat ze het geluk tussen deze man en zijn minnares onverdraaglijk vond. Koeltjes merkt ze op over zijn zelfmoord: “En dan nu - deze grootse daad! En die heeft een waas van schoonheid! Dat hij de kracht en de wil had dit levensfeest te verlaten - zo vroeg.” Hedda Gabler is een tweede Rebecca West. En er zijn er meer.

Bouwmeester Solness uit het toneelstuk van die naam (1892) valt van een door hemzelf gebouwde toren voorover te pletter, "precies in de steengroeve'. Een jong meisje hitste hem op de toren te beklimmen, die veel te hoog was voor de oudere man.

En in Ibsens dramatische epiloog Wanneer wij doden ontwaken (1899), geschreven zeven jaar voor zijn dood, komen de beeldhouwer Rubek en zijn model en vriendin van vroeger, Irene, door een lawine om het leven, terwijl ze op weg gingen naar "de hoogste top, glinsterend onder de eerste zon'. Opnieuw een verleidingsscène met dodelijke afloop. Want Rubek zegt beloftevol tegen zijn geliefde, zijn armen om haar heen slaand: “Laten wij, twee dode mensen, dan voor één kortstondig ogenblik het leven proeven, alvorens weer af te dalen in ons graf.” Maar eerder wilde Irene de man met een mes neersteken. Omdat hij in haar ogen al dood was, dat betekent: omdat hun liefde verkild was. Nu vergezelt hij haar als zijn bruid de hoogte in. Wie heeft schuld?

Witte paarden

Van Rebecca en Nora tot Rubek en Bouwmeester Solness zijn Ibsens personages in de greep van een macht, waar ze geen verklaring voor hebben, een macht die gaandeweg sterker wordt tot hen niets anders overblijft dan een vlucht. Al leidt dat laatste tot hun ondergang. De dood is altijd verbonden met een poëtisch symbool. Zoals de sneeuwwitte bergflanken waarlangs Rubek en Irene trekken. In Rosmersholm draven witte paarden door de nacht, die de levenden meesleuren naar gene zijde. Vlak voordat bouwmeester Solness in de diepte tuimelt hoort zijn prille geliefde Hilde het ijle geluid van "harpen in de lucht'. Die vertegenwoordigen de verzoening tussen God en Solness, die tegen Hem in opstand kwam. Zijn val omlaag is als een hemelvaart. Daarom ook luistert Hilde, zoals in de regieaanwijzing staat, "als het ware in stille vertwijfelde triomf'. Dit is meesterlijke ironie, want de jonge vrouw wordt gedreven door de eerzucht de bouwmeester te bezitten. Nu hij dood is, triomfeert zij over de andere vrouwen die in het stuk een rol spelen.

"Wreed' is niet het juiste woord om Ibsens toneelstukken uit zijn latere periode te benoemen. De dood is nooit uitsluitend tragisch, want de lezer of toeschouwer weet dat er geen andere uitweg mogelijk is om het verleden te ontlopen. Elk personage gaat te gronde aan het inzicht dat de dilemma's van het leven onverzoenlijk zijn. Ibsen beeldt de mens uit als een voortgejaagde door twee onophoudelijk met elkaar strijdende krachten. De ene is de "duistere drang tot vrijheid'. De andere kracht is die van medeleven, begrip en gevoel van verantwoordelijkheid.

Nora uit Een poppenhuis kiest voor haar vrijheid, met achterlating van haar kinderen, een keuze die van het toneelstuk een tragedie maakt. Had ze geen kinderen, dan was haar vrijheidsdrang minder aangrijpend. Regisseurs die Ibsen eertijds slecht begrepen gaven aan Een poppenhuis een gelukkig einde mee: ze blijft bij haar drie bloedjes.

Zoals de titel van Wanneer wij doden ontwaken al aangeeft is dit een drama van omkeringen. De kunstenaar Rubek beseft dat het bittere egoïsme, waarmee hij zijn idealen nastreeft, een ziekte is. Hij moet ervoor betalen. Geen geld. Maar menselijk geluk. En niet alleen zijn eigen geluk, ook dat van anderen. De kunst gedraagt zich onverzoenlijk tegenover het leven. Beiden, de kunstenaar en zijn muze, moeten dat met de dood bekopen.

Ibsens dramaturgie is die van demonie in strakke omlijsting. Als in een schaakspel schuift hij met zijn personages, tot de een na de ander geofferd wordt. Met beangstigende precisie dwingt de schrijver hen tot aan de rand van de afgrond, waarvan ze alleen nog kunnen neerstorten want de weg terug is afgesneden. Zijn het wel werkelijk mensen van vlees en bloed die Ibsen ten tonele voert? In de dichterlijke dromer Peer Gynt herkennen we misschien iets van onszelf. Geldt datzelfde voor Rebecca West en Rosmer, Solness en de opgewonden Hilde, Rubek en Irene?

Ibsens cerebrale kunst lijkt nog het meest op tot een betoog geklonken gedachten. Hij vergroot een karaktertrek van zijn personages uit, bij voorbeeld de moordlust van Rebecca, en plaatst daar in scherp contrast een emotie tegenover. In dit geval wroeging of gewetensnood. Met als resultaat een tweestrijd die uitzichtloos is. Hij toont als het ware een destillaat, de essence, van menselijke driften en zwakheden. Door de onverzettelijkheid waarmee de personen een ideaal nastreven, denken ze hun levensvervulling te vinden maar tegelijk is die houding hun noodlot. In de behandeling van karakters als het concentraat van drijfveren herinnert de toneelschrijver aan de apotheker Ibsen, die hij in zijn jonge jaren was. Niet ver van zijn geboortestadje Skien was hij vanaf zijn zestiende tot tweeëntwintigste leerling-apotheker in Grimstad. 's Nachts schreef hij zijn eerste gedichten en toneelstukken; overdag was hij in de apotheek in de weer met retorten en destilleerkolven, waarmee hij vloeistoffen van elkaar scheidde om de essentie over te houden.

Hoe gevaarlijk de vergelijking ook is, ze is te aantrekkelijk om onvermeld te laten. Rosmersholm heeft veel weg van een boven het vuur gehouden destilleerglas. Na enige verhitting begint het te broeien en te gisten in dat stuk; er ontstaan nieuwe verbindingen en giftige, scheikundige reacties. Uitrijzend boven de kolf zien we de door leeuwemanen omkranste, massieve kop van Ibsen, met de in verbetenheid samengeknepen lippen en de priemende ogen.

Zonlicht

Wie was deze sfinx uit het noorden, een schuwe en zwijgzame, kleine marmot, de man die met het toneelstuk Een poppenhuis vrouwen in opstand deed komen tegen de onderdrukking in het huwelijk? Die met Spoken de burgerij de schrik op het lijf joeg, omdat voor het eerst de erfelijke belasting door geslachtsziekte zo onomwonden in de openbaarheid kwam? Ibsen leefde meer dan twintig jaar in vrijwillige ballingschap, ver van het gehate Noorwegen. Van die tijd bracht hij tien jaar in Italië door, te Rome, Amalfi en Ischia, zonder dat een flardje zuidelijk zonlicht in zijn werk doordringt. De toneelstukken ontstonden in Italiaanse en Duitse huur- en hotelkamers. Afgezien van schilderijen en boeken had Ibsen geen bezit. Desalniettemin wortelt zijn werk diep in de salons en woonkamers van de welgestelde bourgeoisie, waar hij, tussen roerloze meubelen en in duistere hoeken, de zieleroerselen van zijn personages ontleedt. Ibsen zei over hen dat het "levende wezens' waren die hij geen rust gunde, eer hij het noodlot over hen had uitgesproken en voltrokken.

Hij liet niemand toe tot zijn innerlijk leven. Voor de buitenwereld leidde hij met zijn vrouw en enige zoon een saai bestaan. Na Ibsens dood zou zijn vrouw, die hem beschermde tegen alles en iedereen die zijn schrijfrust verstoorde, zeggen: “Ibsen had geen staal in zijn karakter - dat gaf ik hem.” Zijn laatste woord op het doodsbed was: “Tvertimot!” Integendeel. Dit als reactie op een opmerking van zijn vrouw, die zich tegen de verpleegster liet ontvallen dat Ibsen weldra beter zou zijn. “Integendeel!” Hij riep de dood aan. Zijn levenswerk was met Wanneer wij doden ontwaken voltooid.

“Alles wat ik heb geschreven, hangt samen met wat ik heb beleefd, althans doorleefd,” schreef Ibsen. Dat is waar. Het volgende is niet waar, namelijk dat hij "het leven beschreef, zonder het te leven'. Dat laatste willen biografen graag over hem beweren.

Ibsen was een observator: niets ontging hem, alles beleefde en doorleefde hij. De veronderstelling dat een schrijver het leven niet ondergaat, is even weerlegbaar als de mening dat iemand die niet zou schrijven het leven op overweldigende wijze ervaart. Hij beeldde zich in vanaf grote hoogte naar de mensen te kijken door een kleine opening, die hij vormde door duim en wijsvinger gekromd langs elkaar te leggen. Toen Ibsen een aantal jaren theaterdirecteur was in Bergen bewoonde hij een appartement met uitzicht op de door fjorden omsloten haven en de weidse zee verderop. De begrensde blik in westelijke richting fascineerde hem, alsof de uitlopers van de fjorden de coulissen waren in een theater. Talloze schepen met emigranten naar Amerika zag hij de engte van de fjord verlaten. Het is de blik van de toneelschrijver die het leven van een mens altijd in verband ziet met een afgebakende ruimte. Een woonkamer of het dek van een schip als decor. Een salon. Het terras van een hotel. Een gedoemd landgoed, zoals Rosmersholm dat is. Binnen die begrenzing broeit en kolkt het.

De getuigenissen over Ibsen spreken elkaar tegen. Voor de een was hij gesloten als een bergwand, de ander spreekt van vriendschappelijkheid en warmte. Wat Ibsen het best karakteriseert en wat het dichtst bij de waarheid komt, is dat hij een enorme kracht ontleent aan de eenzaamheid. “De man die alleen is, is de sterkste man,” luidde zijn lijfspreuk. Hij meende van God en de mensen gescheiden te zijn door "een verlaten vlakte'.

Samenzwering

Ibsen stond alleen in zijn strijd tegen de oppervlakkige Noorse folklore. Hij was weerbarstig in zijn opvatting dat huwelijk en liefde elkaar buitensluiten. In Een poppenhuis ging hij zo ver om het huwelijk als een samenzwering te beschouwen tussen de man en de maatschappij om de vrouw van haar rechten te beroven. Zijn onverzoenlijke, polemische houding raakte hij nooit kwijt. Hij liep al tegen de zestig toen hij zich afvroeg op welke wijze hij zijn werk nog agressiever kon maken.

Zijn schrijfstijl is net zo rigide als zijn opvattingen waren. Hij had een afkeer van elke ornamentiek, van bijvoeglijke naamwoorden en welluidende, fluwelen zinnen. Als een zelfstandig naamwoord een adjectief nodig heeft om veelzeggender te zijn, dan is de keuze van het substantief slecht. Vaak breken zijn personages de gebeeldhouwde zinnen af en staan de gedachtenstreepjes in het tekstboek voor een dreigend zwijgen op de speelvloer. De opzettelijk onaffe zin is Ibsens methode waardoor een acteur onverhoeds zijn geheimen prijsgeeft. De toeschouwer wordt een spion in het duister van de schouwburgzaal.

Er is een gebeurtenis uit Ibsens jeugd, waarop zijn huwelijksdrama's zijn terug te voeren. In Skien ten zuidwesten van Oslo, het toenmalige Christiania, behoorden zijn ouders tot de hogere kringen. De wijze waarop zijn vader handel dreef was ingewikkeld en gevaarlijk; bij iedere transactie nam hij grotere risico's. Op een dag, Henrik was zeven, stortte heel het fragiele imperium in elkaar. Het gezin met zes kinderen verhuisde naar een gehucht buiten Skien, waar de vader aan de drank raakte en het huwelijk veranderde in een zich voortslepende nachtmerrie.

Dit déclassement en de hardvochtige houding van de dorpsgenoten hebben Henrik Ibsen lange tijd achtervolgd en gaven hem een besef van aangedaan onrecht. Het isolement waarin hij terechtkwam werd gaandeweg zijn levensovertuiging. Een buitenstaander die rondspiedde "met de blik van een gekooide leeuw'.

Hij richtte zijn aandacht op de maatschappij, op wat er leefde aan nieuwe ideeën en sociale veranderingen. In het schrijven vond hij eerherstel. De welgestelde klasse was zijn doelwit en inspiratiebron. Daar, tussen echtelieden, tussen moeders en dochters, vaders en zonen, kunstenaars, huishoudsters en idealisten, legde hij het explosieve materiaal van zijn ethische vraagstukken. Altijd gaat zijn werk over de fatale invloed van de ene mens op de andere.

In een vroeg gedicht vraagt Ibsen zich af: “Wanneer begon toch de loodzware last van verantwoordelijkheid voor iemands erfgoed?” In de latere drama's is dat nog steeds zijn bekommernis. Hoe kan iemand zijn vrijheid bereiken zonder anderen schade te berokkenen? Is het een schande de stem van het hart te volgen? Op welk moment in iemands leven zijn de banden die hij of zij met anderen aanging zo beklemmend geworden, dat het bestaan een troosteloosheid zonder einde is? Tijdgenoten verweten Ibsen dat hij slechts vragen stelde, nooit met een antwoord kwam of de weg wees naar berusting en verzoening. Ibsen beschouwde het als zijn taak vragen te stellen, uit te dagen, verdriet in het leven van zijn personages te creëren. Voor hem was verdriet "als zilver, het nobele goud'.

Grotesk

Het toneel in Ibsens tijd was als opera zonder muziek. Het Franse repertoire kwinkeleerde er lichtzinnig op los. Voordat Ibsen op zesendertigjarige leeftijd besloot zijn moederland de rug toe te keren en een zwervend bestaan te leiden, was hij tien jaar verbonden aan de theaters van Bergen en Christiania. Hij zette zich af tegen overdadig acteren, tegen theatrale stemmingmakerij met effectbejag en groteske gebaren. Een acteur of actrice moest afdalen in de ziel van het personage, zodat een waarachtig en tastbaar menselijk wezen op het toneel stond. Hij vereiste intelligente spelers die hun rol eenvoud en psychologische diepte gaven, en die niet, zoals voordien, de tekst gebruikten om de wonderlijkste capriolen uit te halen. De tekst was hem heilig. Zijn zinnen bezitten een natuurlijk ritme, zodat de ademhaling van de speler samenvalt met de accenten en pauzes.

Voordat Ibsen ging schrijven kende hij zijn Nora, Rebecca of Rosmer en wie dan ook ten voeten uit. Op een keer zei hij tegen zijn vrouw dat hij Nora had gezien. “Wat droeg ze?” was haar vraag. Ibsen antwoordde in ernst: “Een blauwe wollen jurk.” Hij stelde zich zijn karakters voor alsof hij hen op straat of in een etablissement had gadeslagen door het kijkgaatje van duim en wijsvinger.

In drie versies kregen ze gestalte op papier. Aanvankelijk kende de auteur ze nauwelijks, ongeveer zoals mensen die je ontmoet in de trein. Vervolgens doorgrondde hij hen, zoals je na enkele weken de gasten kent in een kuuroord. Tot slot bereikte de auteur de grens van zijn kennis. “In de laatste versie,” schreef Ibsen, “(-) ken ik mijn personages van nabije en nauwkeurige waarneming - het zijn mijn intieme vrienden die me nooit zullen teleurstellen, en ik zal hen altijd zien zoals ik ze nu zie.”

Ibsen ging onberispelijk gekleed in een zwarte overjas met brede kraag. Een zwarte cilinderhoed op het hoofd. Al in zijn jonge jaren wekte hij de indruk dat er grootse ideeën schuilgingen in dat tussen de schouders weggetrokken bruisende hoofd, dat hij wachtte om uit te breken en de wereld in te vliegen. Dat gebeurde. Met elk stuk won hij aan beroemdheid en weerstand. Zijn Zweedse rivaal August Strindberg trok na verschijning van Een poppenhuis tegen hem ten strijde. Hij verweet Ibsen de vrouw vervreemd te hebben van haar plicht tot moederschap. De liefdeloze Ibsen had het huwelijksleven te schande gemaakt. “Dat "honderdduizend vrouwen' zich voor hun mannen hebben opgeofferd,” schreef Strindberg verbeten, “is een beleefdheid tegenover de dames waar Ibsen zich te oud voor had moeten achten. Dan raaskalt Nora er maar wat op los (-).”

Roomkleurig

Schuin achter het Nationale Theater in het hart van Oslo ligt het huis waar Ibsen de laatste jaren van zijn leven sleet. Het laat negentiende-eeuwse appartement ademt welstand. Keek hij recht vooruit, dan blikte hij op een parkachtige tuin met het roomkleurige koninklijk paleis schemerend tussen de bomen. Vanuit een ander raam was het theater zichtbaar. Achter hem, tegen de blinde gangmuur, hing het portret van Strindberg. Hij hield van de waanzinnige, demonische ogen die in zijn rug priemden als hij aan het werk was. De beide gezworen vijanden koesterden wederzijds een grote bewondering.

Het Nationale Theater houdt Ibsens toneeloeuvre in ere. Achter de neo-klassieke façade van het gebouw speelt men elke week wel John Gabriel Borkman, De wilde eend of Hedda Gabler. De ensceneringen zijn conventioneel; het is de stijl van overtuigingskracht door psychologische inleving. Telkens begint de voorstelling met diep duister, waarin een huishoudster de kaarsen ontsteekt. Pas dan gloeien de theaterlichten op. Aan het slot zal de huishoudster de kaarsen doven. De illusie van het toneelspel blijft op realistische wijze intact, zonder opzienbarende ingreep van buitenaf. Realisme was in Ibsens tijd het hoogste wat schrijver, spelers en regisseur konden bereiken.

De stukken worden er gespeeld zoals ze zijn geschreven, elke scène opgenomen in de griezelige, dwingende eenheid van Ibsens structuur. Die is genadeloos mooi, hard, ontroerend en vooral eenzaam. Wie zijn toneelwerk wil begrijpen, moet Noorwegen kennen. De mensen verborgen in hun huizen diep in de valleien, ver weg van de wereld. “Elke nacht een eindeloze winter,” zoals hij het uitdrukte. Wat Ibsen schreef gaat over menselijke lotsbestemming. Waar komt iemand in zijn leven terecht en waarom? Welke paden leiden daarheen? Welke misstappen beging hij of zij in het verleden? Alles verwijst naar elkaar. De toeschouwer staat in het ideale geval op de drempel van een rijk gedecoreerde salon en betrapt er de personages met al hun geheimen.

“Op de zee van het leven,” schreef Ibsen in een brief uit 1850, “varen twee schepen in tegengestelde koers. Het ene, dat van een koopman, gaat zwaarbeladen en veilig in de luwte van de kust. Het andere, met alle zeilen gehesen, geeft zich over aan de wind en werpt zichzelf roekeloos in de golven. Elk van ons moet beslissen met welk schip het wil varen. Kiezen we voor het tweede (-) dan zal onze reis hard en onzeker zijn, en komt onze beloning misschien laat.”

Ibsen koos voor het volgetuigde zeilschip dat zijn harde en onzekere koers volgt. In zijn ogen is ieder die niet het uiterste uit zijn leven haalde, eigenlijk verloren voor het leven. Een dode die nooit zal ontwaken.

Het Ro Theater maakt op het ogenblik een tournee met Peer Gynt. Wanneer wij doden ontwaken door Toneelgroep Amsterdam gaat op 14 januari in première in de Amsterdamse Stadsschouwburg. Bouwmeester Solness door Het Nationale Toneel gaat op 27 maart in première in de Koninklijke Schouwburg, Den Haag. Rosmersholm door het Noord Nederlands Toneel is vanaf mei op locatie te zien.