De politiek is aan revitalisering toe

In alle democratieën die gebaseerd zijn op de idee van de rechtsstaat - de echte democratieën dus - spelen politieke partijen, bewegingen een onmisbare rol. Zij kunnen in de werkelijkheid de meest uiteenlopende vormen aannemen, maar zij worden in het openbaar getoetst op hun vermogen samenlevingsdoelstellingen naderbij te brengen, c.q. te bewaken en daarvoor politieke ambtsdragers aan te wijzen. "At the end of the day' wordt hun succes of falen door een volksraadpleging - meestal in de vorm van verkiezingen - bepaald. Daarom hebben politieke partijen - hoewel geen mensen, maar instituties - niet het eeuwige leven. Wel heeft een levende democratie altijd politieke partijen, in welke gedaante zij zich dan ook voordoen.

Hieruit volgt onontkoombaar de conclusie dat bestuurlijke vernieuwing begint bij politieke partijen, dan wel nieuwe politieke bewegingen. Daarmee is tegelijkertijd aangegeven dat bestuurlijke vernieuwing een keuze is van mensen, meestal in vereniging, dus op enigerlei manier georganiseerd bijeengebracht. De omvang van het speelveld waarop die keuze betrekking heeft, wordt bepaald door traditie, de kracht van de mede- en tegenspelers en - in ons geval - de politiek-sociale en economische afhankelijkheden. Vooral deze laatste - en de mate waarin actief op deze interdependenties wordt ingespeeld - zullen in toenemende mate de omvang van het speelveld bepalen. Dan blijft er genoeg te kiezen over. Een voldoende besef van de wereld waarin wij leven, is een noodzakelijke voorwaarde voor de ontwikkeling en de aanvaarding van bestuurlijke vernieuwingsvoorstellen die doelgerichtheid en legitimiteit met elkaar weten te verbinden.

Als wij spreken over de positie van politieke partijen anno 1992, is het goed ons te realiseren dat - ook in Nederland - politieke partijen een relatief nieuw fenomeen zijn. Zij zijn niet zo oud als de weg naar Kralingen. Anders gezegd: ook in de Lage Landen is eeuwen geregeerd, zonder dat politieke partijen daarbij een rol speelden. Moderne politieke partijen bestaan in Nederland pas sinds het laatste kwart van de vorige eeuw. Zij waren de - door de wetgever zelfs onbedoelde - neveneffecten van een democratiseringsproces. De geleidelijke uitbreiding van het kiesrecht vond een voorlopige afsluiting in de invoering van het algemeen kiesrecht voor mannen in 1917 en dat voor vrouwen in 1922. Door de democratisering van de verkiezingen ontstonden moderne politieke partijen, veelal als landelijke bundeling van voordien zelfstandig opererende kiesverenigingen.

Het heeft overigens tot het begin van deze eeuw geduurd voordat in Nederland min of meer algemeen de gedachte werd aanvaard dat partijen noodzakelijke instituties waren ter "organisatie van het publieke ambt'. In dubbel opzicht wel te verstaan: zij zouden in beslissende mate vorm moeten geven aan de organisatie van de politieke besluitvorming en daarmee een rol vervullen naar regering en parlement; voorts zouden zij het politieke verkeer moeten regelen tussen gekozenen en kiezers als draagsters van gezamenlijke "rechtsovertuigingen'.

Politieke partijen hebben de afgelopen decennia een aanzienlijk functieverlies geleden. De beslissendste factor lijkt mij de groei in welvaart en vrijheid, die - naast het werk - een explosie van maatschappelijke bezigheden heeft veroorzaakt, waardoor het actief zijn in politieke partijen tot één van de vele vormen van maatschappelijke activiteit is gereduceerd. Daarnaast is de betekenis van politieke partijen in het verleden overbelicht, omdat zij de eerste twintig à vijfentwintig jaar na de oorlog de zeer in het oog springende politieke armen waren van brede emancipatorische bewegingen, terwijl zij daarna - zij het in verschillende mate - eenzelfde functie vervulden als, c.q. werden vereenzelvigd met belangengroeperingen, actiegroepen en sociale bewegingen. Tenslotte heeft de onmiskenbare democratisering van de samenleving - een verdieping derhalve van de democratie - zowel institutioneel als qua stijl - een sociale democratie (het ideaal van de belangrijkste politieke stromingen) opgeleverd, die de taak van de inmiddels geprofessionaliseerde politiek aanzienlijk heeft verenigd. De erosie en vervaging van ideologieën heeft ook sterk intern-Nederlandse oorzaken.

De cijfers spreken in dit opzicht boekdelen. In 1946 was nog vijftien procent van de kiezers lid van een partij, in 1956 was dat nauwelijks minder: veertien procent. Dit percentage neemt in hoog tempo af in de jaren zestig en zeventig: in 1967 acht procent, in 1977 vijf procent. In 1986 was dat nog ruim vier procent, in 1989 nog geen vier procent, en nu zal het - de grote verliezen van de VVD en PvdA in ogenschouw nemend - wel niet meer zijn dan drie procent. De absolute aantallen zijn ook veelzeggend. In 1960 zijn nog 750.000 mensen lid van een politieke partij, in 1970 waren dat er - ondanks bevolkingsgroei en verlaging van de kiesgerechtigde leeftijd - niet meer dan 400.000, en nu praten we over om en nabij de 300.000. Een beetje sportbond - voetbal, tennis, gymnastiek - heeft er aanzienlijk meer.

Wanneer politieke partijen niet in alle ernst - en op onconventionele wijze - dit probleem onder ogen zien, dan moet voor een verdere marginalisering van de publieke sector worden gevreesd. Ook als men, zoals ik, deze marginalisering voor een belangrijk deel onomkeerbaar acht, dan blijft het vanuit het democratisch besef een opdracht, een burgerplicht om nieuwe antwoorden en vormen te vinden. De relativering van de pretenties en ambities van de politiek dwingt ons de aandacht te richten op de essentiële taak van de politiek, te weten de gezaghebbende waardentoedeling. Dit zou onder meer kunnen door meer nadruk te leggen op het sturen op hoofdlijnen. Deze wellicht wat gemakkelijk overkomende stellingname heeft onmiddellijk consequenties voor de aard van het verkiezingsprogramma, waarvoor de aandacht van de kiezers wordt gevraagd. Zo'n programma moet dus kort en helder zijn, en voldoende ruimte laten aan nieuwe inzichten en ontwikkelingen, die per definitie ontsnappen aan het keurslijf van de detaillering die nu de meeste verkiezingsprogramma's kenmerkt. Het programma dient eerder een publieke controlefunctie van de handel en wandel van een politieke partij en haar vertegenwoordigers, dan dat zij een interne controlefunctie vervult binnen politieke partijen, zoals nu meestal het geval is.

De drempels voor politieke participatie moeten worden verlaagd. De professionalisering van de politiek - en in het kielzog daarvan: de specialisering - heeft met zich meegebracht dat - in gewoon Nederlands gezegd - veel mensen die er een normale dagtaak op na houden feitelijk worden buitengesloten van het dragen van publieke verantwoordelijkheid. Daarmee berooft de politiek zich - zij het dat niemand die bedoeling heeft - van kennis- en ervaringswerelden die voor een betere aansluiting (legitimatie) op die van kiezers en kiezersgroeperingen zouden kunnen zorgdragen. Alleen al het automatisme van het met hoge frequentie voortrollende vergadercircuit, is aan een heroverweging toe. Het vele (willen) weten staat het helder willen, het helder kiezen vaak in de weg. Politieke partijen zouden voorts meer werk moeten maken van het recruteren van mensen die het nemen van verantwoordelijkheid - in welke positie dan ook - niet alléén als een overigens respectabele liefhebberij zien.

De verantwoordelijkheden dienen helder te worden vastgelegd en te onderscheiden zijn. Dat geldt zowel binnen de politiek zelf - de verhouding tussen B en W en de Raad, de positie van commissies voor advies en bijstand, de subcolleges van allerlei snit, de bestuurlijke werkgroepen -, als voor de verhouding tussen het politiek bestuur en de ambtelijke diensten. Wie doet wat, en wanneer, en welke consequenties vloeien voort uit een duidelijk geregelde verantwoordingsplicht. Vooral in een - naar de letter van de wet - monistisch stelsel als dat van de gemeenteraad, kunnen verantwoordelijkheden gemakkelijk zoekraken.

Ten slotte dient er een directere relatie te komen tussen kiezers en gekozenen. Wie de tekenen des tijds verstaat, ziet onafwendbaar de noodzaak op zich af komen om aan het begrip volksvertegenwoordiger meer inhoud te geven. De personalisering van de politiek is - of men dat nu leuk vindt of niet - niet te stuiten. De heerschappij van partijen of fracties (partij- of fractiocratie) is op de terugtocht. Bij ontstentenis - tot op heden - van werkbare alternatieven, zullen politieke partijen haast moeten maken met vernieuwingsvoorstellen die beter aansluiten op de veranderde oriëntatie van de kiezer en de nieuwe plaatsbepaling van partijen die daar het gevolg van is. Van vormen van volksraadpleging, via verandering van het kiesstelsel, tot het zoeken naar nieuwe mensen.

Het moge duidelijk zijn dat mijn voorstellen in onderlinge samenhang moeten worden begrepoen. Onze politieke orde is aan revitalisering toe. Niet omdat er niet naast vele ontevredenen veel tevredenen zijn, maar omdat de onverschilligheid toeneemt. Het bestuur van stad en land is tè belangrijk - en er zijn te veel problemen èn uitdagingen - om niet een ernstige poging te wagen onze toekomst zoveel mogelijk in eigen hand te nemen.