CPB: loonmatiging essentieel voor werk

ROTTERDAM, 10 JAN. Het herstel van de werkgelegenheid in Nederland in de periode 1983-1990 is vooral te danken geweest aan binnenlandse factoren. De beduidend gunstiger internationale economische ontwikkeling is op het herstel van de werkgelegenheid in Nederland nauwelijks van invloed geweest.

Dit blijkt uit een studie van het Centraal Planbureau naar het relatieve belang van een aantal binnenlandse en internationale factoren voor het herstel van de werkgelegenheid.

Na de daling van de werkgelegenheid in de marktsector in de loop van de jaren zeventig en het begin van de jaren tachtig trad vanaf 1983 een opmerkelijk herstel op. Dit herstel was fors vergeleken met dat in andere landen van de Europese Gemeenschap. In aantallen personen ging het om een stijging met in totaal bijna 500.000 in de 1983-1990 tegenover een daling met in totaal 250.000 in de voorafgaande periode 1975-1982.

Uit het CPB-onderzoek blijkt dat het werkgelegenheidsherstel niet is terug te voeren op het aantrekken van de internationale economie. Tegenover de positieve invloed van een lichte versnelling in de groei van de wereldhandel stond de negatieve invloed van een hogere reële rentestand.

Van doorslagggevend belang waren, aldus het CPB, veeleer binnenlandse factoren. In de eerste plaats “de zeer gematigde loonontwikkeling”, waardoor de zogenoemde arbeidsinkomensquote (het aandeel van de totale beloning dat aan de factor arbeid toevalt) in 1990 meer dan 10 procentpunten lager uitkwam dan in 1979, toen dit cijfer boven de 90 procent lag. En in de tweede plaats het in de jaren tachtig gevoerde beleid van "ontkoppeling', waardoor het wettelijk minimumloon en de inkomens in de collectieve sector achterbleven bij de ontwikkeling van de contractlonen in de marktsector.

Zou geen ontkoppeling hebben plaatsgehad en zou de loonontwikkeling zodanig zijn geweest dat de arbeidsinkomensquote niet onder het niveau van 1979 zou zijn gekomen, dan zou de werkgelegenheid in 1990 in de marktsector circa 400.000 personen lager zijn geweest dan in werkelijkheid het geval was. Daarnaast werd de werkgelegenheidsgroei in personen in de marktsector gunstig beïnvloed door arbeidsduurverkorting (naar zeer globale schatting 30.000 à 40.000 personen) en door uitbreiding van werken in deeltijd (naar schatting 150.000 personen).

De bijdrage van internationale factoren aan het werkgelegenheidsherstel bleef hierbij volgens het CPB ver achter. Het effect van de wereldhandelsgroei op de werkgelegenheid in de periode 1983-1990 wordt becijferd op 135.000 banen. Maar dat wordt voor een deel teniet gedaan door de hogere rente, met name in de jaren vanaf 1986. Had de rente sindsdien één procentpunt lager gelegen dan in werkelijkheid het geval was, dan had dat 40.000 banen gescheeld, aldus het CPB.