Colijn revisited

Op 15 november 1938 zei minister-president Colijn in de Tweede Kamer: “(...) wanneer men nu ongelimiteerd een stroom van vreemdelingen uit het buitenland hier zou binnenlaten, zou het noodzakelijk gevolg ervan zijn, dat de stemming in ons eigen volk ten opzichte van de joden een ongunstige kentering zou kunnen ondergaan”.

Ruim vijftig jaar later staan er opnieuw vluchtelingen aan de grens. Met een restrictief toelatingsbeleid probeert de overheid de stroom zo veel mogelijk in te dammen. Ons zijn inmiddels de gebeurtenissen van de Tweede Wereldoorlog bekend. De samenleving weet nu hoe het is afgelopen, niet alleen met die joden die niet werden toegelaten maar ook met die Nederlandse joden die onze voormalige premier in bescherming wilde nemen.

Het gaat dan ook niet aan om het vluchtelingenbeleid van de overheid van de jaren dertig zonder meer te vergelijken met de huidige situatie. Zoals het evenmin aangaat het beleid van de toenmalige regering alleen maar te veroordelen. Alhoewel de begrippen "concentratiekamp' en "Endlösung' bekend waren, waren de consequenties van de Duitse moordplannen kennelijk nog niet tot onze regering doorgedrongen.

Het lijkt dan ook terecht dat zowel leden van het kabinet als van het parlement er moeite mee hebben als bij het huidige vluchtelingenbeleid wordt verwezen naar die periode van deze eeuw. Iedere verwijzing zou de discussie over het officiële beleid alleen maar "vervuilen'. Gezagsdragers voelen zich gekwetst.

Toch is hun verontwaardiging niet gerechtvaardigd. Regering en parlement leveren zelf de bijdragen voor het ontstaan van parallellen tussen het vluchtelingen-beleid van destijds en nu door identieke argumenten voor een restrictief toelatingsbeleid aan te dragen. Ook de voortdurende vrees voor precedenten is identiek. Het argument van een "ongunstige kentering in de stemming' jegens vreemdelingen doet, nu wij de betekenis van "Endlösung' kennen, wrang aan. Uiteindelijk bleek het vernietigingstuig van nazi-Duitsland onbeschrijfelijk veel erger dan het eventueel, door de heer Colijn zo gevreesde, antisemitisme in Nederland.

De uitspraak van Colijn blijkt niettemin nog steeds een essentieel onderdeel te vormen van de motivering van de overheid voor een een restrictief beleid. Zo zei de VVD'er Wiebenga: “Veel nieuwe migranten komen juist daar terecht waar de verdraagzaamheid nu al het meest onder spanning staat: in de probleemwijken van de grotere steden. Het zou naïef en gevaarlijk zijn daarvoor de ogen te sluiten”. Voor onze overheid zou dit een argument zijn om minder vluchtelingen toe te laten. De overheid voelt zich kennelijk verplicht om vluchtelingen tegen de kwaadaardige samenleving te "beschermen' zoals premier Colijn meende te moeten doen. Beter elders aan honger en vervolging blootstaan, dan in Nederland te worden gediscrimineerd. Nu we weten wat de gevolgen waren van het nagenoeg sluiten van de grenzen in de jaren vóór de Tweede Wereldoorlog is het kwalijk dat de overheid dit argument blijft hanteren.

Daarnaast kleeft er een, mogelijker nog zwaarder wegend, ander bezwaar aan dit argument. Vreemdelingenhaat, racisme, antisemitisme en discriminatie zijn slechte zaken. Met afschuw kijkt onze parlementaire democratie naar de neo-nazi's in Berlijn, het Vlaamse Blok in België en Le Pen in Frankrijk. De Nederlandse overheid steunt en stimuleert de activiteiten van de Anne Frank-stichting, het STIBA, Meldpunt Racismebestrijding en meer van dergelijke organisaties. Alles in een poging onze samenleving voor iedereen leefbaar te houden.

Door het restrictieve toelatingsbeleid te handhaven, onder het mom dat te veel vreemdelingen de haat tegen hen zal vergroten, worden groeperingen die zich aan zulke misdragingen schuldig maken slechts gestimuleerd. Zij ervaren dat de overheid, die handelt vanuit onmacht, hun negatieve visie op buitenlanders honoreert.

In plaats van het kwaad te bestrijden, capituleert de overheid voor het kwaad.