Chronische vrees voor Duitsland

Het blijft moeilijk om vanuit Washington de juiste toon aan te slaan in de omgang met Europa. Ongeveer tezelfdertijd dat oud-president Nixon in de Los Angeles Times (overgenomen in de Volkskrant) een pleidooi houdt voor een nauwere band tussen de Verenigde Staten en Duitsland, suggereert een "feature' van David Binder in The New York Times dat de Amerikaanse regering zich ernstige zorgen maakt over "a more bullheaded Germany'. Maar het hoofdprobleem schetst Nixon onwillekeurig wanneer hij aan het eind van zijn betoog een opsommig geeft van wat de Verenigde Staten toch vooral gemeen hebben met andere Europese landen dan Duitsland. Zolang Europa een optelsom blijft van verschillende nationaal omschreven belangen, zal geen Amerikaanse regering de verleiding weerstaan om ten opzichte van Europa een politiek à la carte te bedrijven.

Dat ook de oud-president zijn voorkeur voor Duitsland meer laat leiden door tactisch opportunisme dan door strategische overwegingen blijkt uit zijn argumenten. Zijn verhaal knoopt aan bij de in Amerika levende vrees voor het fort Europa, een beeld dat wordt opgeroepen door het "Europa van 1992', de Europese markt zonder binnengrenzen. In de Amerikaanse karikatuur zou die markt naar buiten worden afgesloten door hoge tolmuren die slechts zwaar gesubsidieerde export doorlaten. Staal en landbouwprodukten vormen voor de Amerikanen, en ook voor Nixon, de bekende steen des aanstoots. De oud-president ziet in Bonn een handzame hefboom om die muren te slopen en hij rekent voor dat Duitsland met een export van meer dan 35 procent van zijn nationaal produkt evenals de VS gebaat is bij verruiming van de wereldhandel.

Dat Nixon hier een aspect van het probleem over het hoofd ziet blijkt uit Binders artikel. Binders zegslieden in Washington hebben zich er over opgewonden dat Bonn zich weinig gelegen laat liggen aan Amerikaanse wensen. Zo werd een verzoek aan de bondsregering om via druk op de Fransen Europa's agrarische subsidies te verlagen even hard afgeslagen als een pleidooi om de rente niet te verhogen. De Duitsers hebben een eigen agenda waarin Amerika steeds minder figureert.

Nixon van zijn kant houdt de Duitse rentepolitiek de Amerikaanse regering juist ten voorbeeld. Hij meent dat Washington af en toe het Duitse leiderschap zal moeten volgen. Gezien het feit dat de Duitse inflatie ongeveer de helft is van de Amerikaanse blijken de Duitsers volgens hem gelijk te hebben gehad. Op langere termijn wordt op die manier de kans op economische groei vergroot. Maar de oud-politicus Nixon weet ook wel dat hij met die voorspelling de tegenwoordige bewoner van het Witte Huis een schrale troost biedt. Deze moet immers in een jaar van stagnatie en groeiende werkloosheid de verkiezingen zien te winnen. Een tikkeltje inflatie is vanuit de presidentiële residentie gezien nu het mindere kwaad.

Niet te spreken is Nixon over de rol die Duitse industrieën hebben gespeeld bij wat hij noemt de verspreiding van sleuteltechnologieën naar landen in de Derde wereld, zoals Libië en Irak. Maar de oud-president duidt aan dat Duitsland niet alleen verantwoordelijk is geweest voor dit fenomeen. Wie werkelijk wil verhinderen dat een dergelijke boemerang nog eens wordt geworpen, moet aan wijdere samenwerking denken dan aan een Duits-Amerikaanse alleen. Zoals Nixon zelf schrijft: straks worden we geconfronteerd met een Saddam Hussein, uitgerust met intercontinentale raketten in plaats van met Scuds. Hij lijkt dan ook te verwachten dat de hieruit te trekken lessen zijn geleerd.

Vervolgens geeft de oud-president een merkwaardige wending aan zijn betoog, een wending die iets zegt over het chronische wantrouwen dat aan beide kanten van de Atlantische Oceaan jegens Duitsland bestaat en zelfs bij hen die op goede gronden dat wantrouwen trachten te overbruggen. De Amerikaans-Duitse samenwerking kan volgens Nixon alleen tot stand komen als Duitsland een Westerse mogendheid met verantwoordelijkheidsgevoel blijft. Wie deze uitspraak spiegelt aan Binders notities, mag veronderstellen dat in Washington aan dat laatste nu juist grote twijfel is ontstaan.

Nixon oppert het risico van een onduidelijke Duitse positie tussen Oost en West en hij roept ter bezwering de andere Europese staten aan om tegenwicht te willen zijn tegen een Duits afdrijven naar het Oosten. Wellicht spelen historische sjablones hem hier parten, want de oude magneet Moskou heeft zijn aantrekkingskracht wel verloren. Veel actueler klinkt de verstoordheid van Binders zegslieden: zij ergeren zich aan wat zij beschouwen als Duitse verwatenheid en tonen daarmee ongegeneerd Amerika's lichtgeraaktheid. Waar Nixon nog aan Rapallo-achtige visioenen lijdt, daar toont het Washingtonse diplomatieke establisment zijn nostalgie naar een tijdperk waarin het Amerikaanse pijpen de dansers deed bewegen. De door Binder opgetekende, als verwijt bedoelde bespiegeling dat men binnen de Duitse regering "Erfolg' heeft vervangen door "Sieg' wanneer een politieke overwinning wordt gevierd, lijkt niet voorbestemd om het wederzijdse begrip te vergroten.

Directe aanleiding voor de Amerikaanse ontstemming over Bonns politiek is volgens Binder het Duitse besluit om Slovenië en Kroatië te erkennen. Dat is geen nieuws: van het begin van de Joegoslavische crisis af heeft de Bondsrepubliek hiervoor gepleit, daarin bijgevallen door Oostenrijk en Italië. Maar de andere bondgenoten hebben stelselmatig de Duitse analyse en de daarop stoelende argumenten om tot erkenning over te gaan van tafel geveegd - totdat de Europese partners zich vorige maand, zij het onder enig formeel voorbehoud, bij de Duitse wijze van zien hebben aangesloten. Dat Washington van zoveel Duitse volharding vreemd opkijkt, is na lange jaren van Bonner volgzaamheid niet verrassend, wel dat de Amerikanen geen licht opgaat.

Willen de Verenigde Staten onder gewijzigde omstandigheden een duurzame verhouding met Europa in stand houden, dan zullen zij zich rekenschap moeten geven van de betekenis en de achtergrond van Duitse prioriteiten. Dat die prioriteiten zich "Europees doorzetten' is langzamerhand wel duidelijk.

Het gevaar van Duitse gevoeligheid voor sirenenzang uit het Oosten - waar Nixon aan herinnert - is na de coup van augustus verdwenen. Het Oosten heeft niets te bieden waarvoor Duitsland de befaamde "Westbindung' zou willen opgeven. In Maastricht werd dat onlangs ten overvloede onderstreept. Ondermijning van de Duitse band met het Westen dreigt veel meer van de kant van het Westen zelf. Stelselmatige onderschatting van de Duitse posities, weigerachtigheid om de Duitse opties serieus te nemen, kritiek verpakt in suggestieve verwijzingen naar het verleden, het zijn evenzovele uitingen van averechts werkende betutteling.

De Amerikanen zijn blijkens Binders registratie nog mijlenver verwijderd van Nixons aanbeveling: dat de Verenigde Staten rugdekking moeten geven aan een actievere Duitse politiek. Dat is iets geheel anders dan Duitsland te kleineren, ieder keer wanneer het naar de smaak van een of andere partner te veel of te weinig doet.