Benoite Groult over de 19de-eeuwse feministe Pauline Roland; Een expeditie naar de Moeder-messias

Benoîte Groult: Pauline Roland ou comment la liberté vient aux femmes. Uitg. Robert Laffont, 271 blz. Prijs ƒ 47,30

De biografische reeks "Elle était une fois' is opgezet volgens het recept: een bekende hedendaagse schrijfster neemt als onderwerp een vrouw uit het verre of nabije verleden die haar om de een of andere reden intrigeert. Meestal gaat het om klassieke vrouwenfiguren, maar Benoîte Groult voor haar boek een vrouw gekozen die in het vergeetboek van de geschiedenis is geraakt.

Pauline Roland (1805-1852) was een van die boeiende negentiende-eeuwse vrouwen die, voor de opkomst van de georganiseerde vrouwenbeweging, op heel verschillende manieren hebben geprobeerd om vrijwel in hun eentje ijzer met handen te breken en de rol van de vrouw in de samenleving te veranderen. Zij groeide op in "fatsoenlijke armoede', in een kleinburgerlijk milieu en in een benepen provinciestadje. Op jeugdige leeftijd werd zij onder invloed van een jonge idealistische huisleraar een overtuigde aanhanger van het saint-simonisme, beter gezegd van Barthelémy Prosper Enfantin, de charismatische opvolger van Saint-Simon. De fascinerende aantrekkingskracht die van deze vroegsocialistische ideeën, met hun belofte van vrijheid en zelfbeschikkingsrecht, uitging op opgesloten intelligente meisjes als Pauline Roland moet enorm zijn geweest. Haar leven is dan ook sterk bepaald door de ideeën en praktijk van het saint-simonisme.

Groult gebruikt haar biografie in feite als uitgangpspunt voor een geschiedenis van het romantische socialisme in de eerste helft van de negentiende eeuw. Zij geeft geen nieuw, maar wel een verantwoord en uiterst leesbaar beeld van de opkomst van de verschillende "scholen' in deze vroege socialistische beweging, die aanvankelijk meer weg had van een godsdienst dan van een politieke stroming. Sektarische twisten, tussen volgelingen van Saint-Simon en van Fourier - de "vader' van het moderne feminisme - bij voorbeeld, vierden hoogtij. Behalve idealistische intellectuelen en zelfs gezeten burgers, die oprecht verontrust waren door de excessen van het vroege kapitalisme en in dit "naïeve' socialisme een economisch alternatief vermoedden, trok de beweging dan ook nogal wat zonderlingen van allerlei slag aan.

Eén ding hadden echter alle scholen en stromingen binnen dit vroege socialisme gemeen: zij stelden de onderdrukking van het proletariaat en de onderdrukking van de vrouw op één lijn - met uitzondering van de vrouwenhater Proudhon die van mening was dat “de vrouw op zichzelf geen reden van bestaan heeft. Zij is een soort schakel tussen de man en de rest van het dierenrijk”.

Mystiek

Onder leiding van Enfantin groeide echter de feministische tendensen in de saintsimonistische religie uit tot een mystieke vrouwenverering, een soort collectieve obsessie die soms bijna hysterische vormen aannam. Zo werd bij voorbeeld een expeditie - van louter mannen overigens - naar Egypte georganiseerd om daar de "Moeder-Messias' te zoeken. De praktische uitwerking van de lyrische emancipatietheorieën was teleurstellend, omdat de vrouwenverering nu eenmaal meer overeenkomsten met een religieuze Mariaverering vertoonde dan met een sociaal streven naar gelijkwaardigheid. Pauline Roland werd het tragische slachtoffer van deze discrepantie - zij leefde de theorie naar de letter, geloofde in vrije liefdesrelaties, kreeg "onwettige' kinderen en stelde zich buiten de maatschappij. Groult legt hier interessante verbanden met het moderne feminisme en de mentaliteitsrevolutie van "1968', waarin hier en daar dezelfde idealen en dezelfde zwakheden zullen opduiken.

De levensgeschiedenis van Pauline Roland werd niet alleen door het saint-simonisme, maar ook door de grote historische gebeurtenissen in het politieke klimaat in het negentiende-eeuwse Frankrijk sterk beïnvloed - de revolutie van 1848 en de terugkeer naar het clericalisme onder Napoleon III. Vooral dit laatste zou haar persoonlijke ondergang worden. Zij wordt dan, vanwege uiterst vage beschuldigingen van hulpverlening aan "revolutionairen' als misdadigster naar Noord-Afrika verbannen, weigert consequent gratie te vragen, en overleeft de mensonterende omstandigheden niet. Ook deze politieke ontwikkelingen worden, als het ware "en passant', helder en leesbaar beschreven. De ervaringen van Pauline Roland zijn steeds opnieuw aanleiding voor korte, maar interessante verhandelingen over de opkomst van de proletarische arbeidersbeweging - toegespitst op de arbeidstersbeweging -, opvattingen over moederschap en onderwijs, de halve afzijdigheid van lauwe sympathisanten als George Sand en Victor Hugo - die beiden Roland na haar dood zouden verheerlijken -, vrije liefde, promiscuïteit, kolonialisme, en de anti-feministische tendensen in het opkomende (marxistische) communisme.

Toch is het niet zo, dat de figuur van Pauline Roland een soort bordkartonnen personage blijft, alleen ingevoerd om het boek structuur te geven. In al haar naïviteit, maar ook in al haar heroïsche en onverzettelijke vastberadenheid - letterlijk bereid haar leven te geven voor haar overtuiging - wordt zij niet verheven tot feministische heldin, maar blijft een vrouw van vlees en bloed, met de wat geëxalteerde houding die bij haar tijd hoort. Het is de verdienste van Groult dat zij juist door haar "objectieve' beschrijving weet te bewerkstelligen, dat de lezer intense bewondering en sympathie gaat koesteren voor een vrouw die haar hele leven zo in dienst stelde van een ideaal, dat zij van geen schipperen wilde weten en er tenslotte letterlijk aan crepeerde.