Zorgen over Irans militaire opkomst; (Ex-)Sovjet-Unie bereid al Teherans militaire wensen te vervullen

Door de eeuwen heen hebben de Perzen, met wisselend succes, gestreefd naar regionale oppermacht, en de Islamitische Republiek Iran vormt daarop geen uitzondering. In de tijd van de sjah werd dit streven met een welwillend oog door Washington bekeken, en de bijbehorende bewapening werd ook voor een groot deel door de Verenigde Staten geleverd. Maar de VS zijn nu Teherans Grote Satan, Irans wapens komen grotendeels uit de (ex)-Sovjet-Unie en de Amerikaanse regering laat waarschuwing op waarschuwing volgen tegen Irans bewapeningsplannen. Zoals deze week weer.

Iran kwam in 1988 economisch en militair totaal berooid uit de achtjarige oorlog tegen Irak. Uit angst voor Irans "fundamentalistische horden' hadden veel Westerse landen, discreet aangemoedigd door de VS, en ook het toenmalige Oostblok Irak grote hoeveelheden wapens geleverd waardoor Irans erfvijand relatief sterk bleef. Iran daarentegen was in de oorlog het doelwit van een - officieuze - wapenboycot, en het kon geavanceerd militair materieel alleen stiekem op de kop tikken, of als beloning voor vrijgelaten gijzelaars.

Dat plaatste Iran, nog even afgezien van alle regionale ambities, na de oorlog in een bijzonder onplezierige positie ten opzichte van Irak. De meedogenloze Iraakse president, Saddam Hussein, was al één oorlog tegen Iran begonnen (zoals de Verenigde Naties vorige maand, ruim elf jaar na dato, hebben vastgesteld) en waarom zou hij het daarbij laten? Het feit dat Irak na het ingaan van het staakt-het-vuren in 1988 een extra-bewapeningsinspanning begon onder Saddams inventieve schoonzoon Hussein Kamel beloofde niet veel goeds. Temeer daar er talloze aanwijzingen waren dat generaal Hussein Kamel ook hard werkte aan een kernbom. De Iraniërs, die al met Saddams chemische wapens te maken hadden gehad, wisten dat de Iraakse president in staat moest worden geacht een nucleair wapen daadwerkelijk te gebruiken. Tegen Teheran bijvoorbeeld.

Zo bezien was het heel begrijpelijk dat Iran, kapot als het was, zelf óók op grote schaal wapens begon aan te schaffen. Landen als Noord-Korea en China, die geen wapenleverantie schuwen als die maar dollars oplevert en die tijdens de eerste Golfoorlog ook al leverden, bleven goede leveranciers, van tanks, artilleriestukken en ballistische raketten.

Maar ook de Sovjet-Unie, tijdens de Iraans-Iraakse oorlog nog Iraks beste wapenverkoper (naar schatting 90 procent van Bagdads materieel), was nu in de markt voor grootschalige leveranties. In juni 1989, tijdens een bezoek van de toenmalige parlementsvoorzitter Rafsanjani aan Moskou vlak na de dood van imam Khomeiny, werd een overeenkomst gesloten, ter waarde van zes miljard dollar, om Irans “defensief vermogen te versterken”. In dat pakket, dat toen al Amerikaanse bezorgdheid wekte, zitten onder andere 100 MiG-29 gevechtsvliegtuigen en SA-5 luchtdoelraketten, en volgens een mededeling van het Pentagon van deze week nog veel meer: Soe-24 gevechtsbommenwerpers en andere wapens. En Iran zou nog méér MiGs-29 willen hebben, en zelfs onderhandelingen zijn begonnen over de mogelijkheid de MiG-29 zelf te assembleren.

Op de wapententoonstelling in Dubai zei een Sovjet-functionaris enkele maanden geleden dat “we bereid zijn ze àlles, àlles te verkopen”. Want: “We zitten aan de grond”. De ironie wil dat Israel, eveneens een van Irans meest gehate vijanden, ook van de geldnood in de vroegere Sovjet-Unie profiteert. Ook Jeruzalem kan tegen afbraakprijzen de modernste wapens uit het arsenaal van het Rode Leger krijgen.

Terwijl Iran zo zijn conventionele kracht versterkte, kwamen er ook steeds meer berichten over nucleaire bewapeningsplannen. Imam Khomeiny had na zijn islamitische machtsgreep het nucleaire programma van de sjah stopgezet, en de half-afgebouwde kerncentrale van Bushehr was tijdens de oorlog tegen Irak enkele malen gebombardeerd. Maar al tijdens de oorlog kwamen de eerste berichten over pogingen een kernbom te ontwikkelen. Toen de Iraanse leiders vervolgens heel openlijk begonnen te praten over het opzetten van een vreedzaam kernprogramma en her en der de mogelijkheid van nucleaire samenwerking aankaartten (en de aarzelingen van Duitsland en Frankrijk om dat te doen scherp veroordeelden), groeide de internationale bezorgdheid. “Iran wordt het Bagdad van de jaren negentig”, zei een Amerikaanse functionaris vorig jaar mei.

De Iraanse verzetsbeweging Mujahedeen Khalq meldde een maand later dat Teheran sinds 1990 200 miljoen dollar had uitgetrokken voor de ontwikkeling van een kernwapen, maar dat getal is nergens bevestigd. In oktober liet Washington zijn eerste waarschuwing tegen Irans nucleaire plannen horen. Onderminister van buitenlandse zaken Richard Solomon onthulde toen op een hoorzitting in de Senaat dat China Iran kernwapentechnologie had geleverd.

Peking liet later weten dat alleen nucleaire technologie voor vreedzame doeleinden was geleverd, zoals ook Irans nucleaire samenwerkingsakkoorden die de volgende maand werden bekendgemaakt, met India en Cuba, volgens de betrokkenen louter vreedzaam waren. Maar wel zei een hoge Iraanse regeringsfunctionaris in die tijd dat alle moslim-landen zich kernwapens zouden moeten aanschaffen als tegenwicht tegen de Israelische nucleaire macht en onderstreepte president Rafsanjani tegen een groep piloten dat “acht jaar oorlog ons heeft geleerd dat onze strijdkrachten met de meest geavanceerde wapens moeten zijn uitgerust”.

Terwijl Iran zich rustig bewapende, wijzigde de situatie in de regio zich drastisch, waardoor Teheran in feite het regionaal leiderschap in de schoot kreeg geworpen. Irak bezette Koeweit, vergiste zich in de internationale reactie, werd door de geallieerde overmacht weer uit het emiraat geslagen, met zware verliezen aan mensenlevens en materieel, en moest vervolgens berusten in de ontmanteling van zijn massa-vernietigingswapens. Iran, dat zijn Iraakse probleem zo nota bene onder Amerikaanse leiding opgelost zag, hield zich erbuiten en boekte enorme politieke winst. Het was niet langer de paria van het gebied: er kwam toenadering tot de Arabische Golfstaten waaronder Saoedi-Arabië, de grote concurrent waar het om moslim-zielen gaat en naast Irak het derde land dat streeft naar regionale oppermacht.

Hoewel inmiddels is gebleken dat Irak veel minder mensen en materieel in de oorlog om Koeweit heeft verloren dan aanvankelijk werd aangenomen, zoals de opstandige Koerden en shi'ieten hebben ervaren, wordt Iran nu dankzij zijn bewapeningsprogramma als sterker beschouwd. Ten aanzien van Saoedi-Arabië heeft het het voordeel van een veel grotere mensenmacht: bijna 60 miljoen tegen de nog geen tien miljoen Saoediërs.

Niet alleen de Amerikanen maken zich zorgen over de Iraanse militaire opkomst. Ook Saoedi-Arabië en Israel bezien deze ontwikkeling steeds zwarter. Men weet immers ook nog steeds niet goed waar Iran eigenlijk voor staat. Rafsanjani's gematigde woorden van toenadering tot het Westen worden regelmatig afgewisseld met felle uithalen naar Israel en bedreigingen tegen diegenen die het Arabisch-Israelische vredesproces steunen. En wat te denken van de moord op oud-premier Bakhtiar in Frankrijk of van de maatregelen tegen de Zwitserse ambassade nadat een Iraniër in Zwitserland was opgepakt? Of van de groeiende vriendschap met het islamitische regime in Soedan, waar volgens diverse bronnen in de afgelopen maanden trainingskampen zijn ingericht voor fundamentalistische activisten uit onder andere Algerije, Tunesië en Egypte?

Rafsanjani ademt intussen zelfvertrouwen. “Wij hoeven ons niet fanatiek te uiten”, zei hij 20 december op het Vrijdaggebed in Teheran. “Wij hoeven geen onpraktische leuzen te schreeuwen. Wij hoeven geen dingen te zeggen die niet worden uitgevoerd, nodeloos mensen angst aanjagen en ons eigen pad blokkeren. Wij kunnen het leidende licht van de wereld van de islam zijn zolang we voorzichtig en verstandig handelen.”

De rarigheden van dit primitieve ontluikende kapitalisme moet de nieuwe beurs in Alma Ata, nog maar 5 maanden oud, gehuisvest in een glazen gebouw zonder ruimte voor kantoren, zien recht te breien. ""Economische soevereiniteit is het welzijn van de republiek'' staat in twee talen aan de ingang van het beursterrein, waarvoor de aanschaf van een toegangsbewijs vereist is. Juri Koerbatov (40), een half jaar geleden nog directeur van een sportschool, heeft een razendsnelle carrière op de beurs gemaakt. Omdat hij de hoogste omzet haalde is hij nu directeur van de firma A-Broker en 8 brokers. Broker is net als makler (makelaar), fermer, businessman en joint-venture een veel gebruikt nieuw woord in de Russische taal. ""Drie dagen per week is er beurs,'' zegt Koerbatov, ""de andere dagen stuur ik mijn brokers de straat op, om bij bedrijven te horen of er nog handel is.'' Vindt de broker bijvoorbeeld een voorraadje graafmachines bij een klant dan probeert hij met de eigenaar een prijs af te spreken waartegen de partij verkocht moet worden. Eventuele winst wordt fifty-fifty gedeeld. ""Zeker, het komt voor dat een broker de waarde te laag of te hoog schat. Maar ook dat hetzelfde artikel op een andere beurs in Alma Ata voor 5.000 roebel en hier voor 50.000 wordt aangeboden. Als we dat weten proberen we als de bliksem daar te kopen en hier te verkopen.''