Vrijplaats voor een dichteres

Yo, la peor de todas (Ik, de slechtste aller vrouwen). Regie: Maria Luisa Bemberg. Met: Assumpta Serna, Dominique Sanda, Hector Alterio. Amsterdam, Desmet; Utrecht, 't Hoogt; Nijmegen, Cinemariënburg.

Een jonge vrouw treedt in in een kloosterorde, maar ze zal zelden religieuze plichten vervullen of zelfs maar aanwezig zijn bij de mis. Bidden zien we haar maar één maal: wanneer ze persoonlijk een reële aanleiding heeft om God te bedanken. Ze mag zich hebben verklaard tot bruid van Jezus en de bijbehorende trouwring dragen, in feite verblijft ze onder valse voorwendselen in het klooster. Want deze Juana Inès de la Cruz, een Mexicaans meisje dat als beeldschone zeventienjarige furore maakte aan het hof van de in zeventiende-eeuws Mexico gestationeerde Spaanse onderkoning, was niet vroom, en ze wilde dat zelfs niet worden. Wel was ze hoogbegaafd, vermoedelijk op het geniale af. Op aanraden van haar biechtvader koos ze voor het habijt en zo kon ze zich ontwikkelen tot een van de grootste Spaanstalige dichters.

Yo, la peor de todas (Ik, de slechtste aller vrouwen), een film van de Argentijnse cineaste Maria Luisa Bemberg, probeert milieu en sfeer te ontrafelen waarbinnen een briljante geest zichzelf in het openbaar leert neer te halen als "de slechtste aller vrouwen'. In laat-middeleeuws Mexico was het klooster de aangewezen vrijplaats voor vrouwen met een intellectuele roeping. In het klooster ontliep men de plicht te moeten sloven voor man en kinderen, in het klooster kon ook een vrouwenleven gewijd zijn aan wetenschap, filosofie en kunst. Soms ging dat goed - een klooster kon roem en aanzien vergaren met het talent van de zusters en menig abdis gaf talentvolle kloosterlingen alle ruimte. In het geval van Juana de la Cruz werd, volgens Bemberg, die zich baseerde op de biografische roman van Octavio Paz, een op velerlei gebied briljante geest opgeofferd aan een interne machtsstrijd in de Mexicaanse katholieke kerk - nadat ze eerst inzet was geweest van een treffen tussen Kerk en Staat, aangezien ze de speciale beschermelinge was van de onderkoning, en vooral van zijn vrouw. Later in Madrid zou deze onderkoningin zorg dragen voor de publikatie van Juana's poëzie.

Bemberg plaatst de haat die Juana's bijzondere positie oproept bij de aartsbisschop in feministisch perspectief. Dat zij als non beslist niet uitblonk en wellicht daardoor ergernis heeft gewekt, komt niet aan de orde. In Bembergs optiek was deze extreem intelligente vrouw het aangewezen slachtoffer voor de vrouwenhaat van de katholieke kerk. Dat er nonnen bestaan, wordt geduld. Meer niet en ze mogen er niet aan denken zich te meten met mannen, want ze zijn het werktuig van de Duivel. Achter elke non wordt ferm met het wierookvat gezwaaid - non of geen non, ze is een vrouw en ze wasemt die verderfelijke vrouwengeur uit.

Ook Juana's passie wordt feministisch geïnterpreteerd: haar relatie met God kan haar hartstocht niet bevredigen en evenmin verlangt ze naar man en kinderen. Haar vloedgolf van liefde en adoratie stort ze uit over haar beschermvrouwe. Assumpta Serna en vooral Dominique Sanda als de koningin weten de kuise ontmoetingen van het tweetal mooi, want onmiskenbaar sensueel, weer te geven.

Hun spel behelst het enige vuur dat Bemberg zich in haar film permitteerde. Yo, la peor de todas werd, duidelijk naar voorbeeld van de oude Portugese filmer Manoel de Oliveira, monotoon theatraal opgezet. Een toneelvormgever ontwierp de abstracte decors voor de elegante taferelen die telkens uitgaan van een statische, sierlijk belichte, en volledig aan de schilderkunst ontleende, mise-en-scène. Onder die koele, beheerste vorm huiveren steeds de exaltatie en de hysterie. Breken die los dan laten ze zich meermalen kennen als koketterie en kitsch.