Staat beïnvloedt de asielrechters

Het was opvallend dat twee rechters van dezelfde rechtbank (Den Bosch) op dezelfde dag, 30 december 1991, tot een tegengesteld vonnis kwamen in de zaken van Vietnamese asielzoekers wier vluchtverhalen niet wezenlijk van elkaar verschilden.

Asielzaken zijn eigenlijk administratiefrechtelijke zaken, zij het dat de Raad van State ten tijde van het in werking treden van de wet AROB (1976) er de voorkeur aan heeft gegeven dat schorsingsverzoeken bij dreigende verwijdering niet tot zijn competentie zouden behoren. De Afdeling Rechtspraak van de Raad van State werd wel als hoogste bodemrechter aangewezen. Omdat er geen andere rechter is aangewezen zal de asielzoeker die met uitzetting wordt bedreigd zich dus tot de kort-gedingrechter moeten wenden. Deze neemt daarmee in asiel- en vreemdelingenzaken een aparte plaats in. Hij is namelijk niet de uiteindelijke beslisser, maar moet op verzoek van de vreemdeling nagaan of de Staat al dan niet onrechtmatig handelt door aan een ingestelde herzienings- of beroepsprocedure geen schorsende werking te verlenen, dat wil zeggen de vreemdeling al dan niet toestemming te verlenen de procedure in Nederland af te wachten.

Dit maakt een groot verschil uit in rechtspositie omdat de asielzoeker die de procedure in Nederland mag afwachten meer tijd heeft om eventuele bewijsstukken te vergaren, terwijl hij bovendien nog uitgebreid gehoord dient te worden door de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken. Daarbij kan ook de plaatselijk vertegenwoordiger van de Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen nog zijn visie op het vluchtverhaal geven. Kortom, een procedure die met veel meer rechtswaarborgen is omkleed. Verliest de asielzoeker het kort geding, dan zal hij uit Nederland worden verwijderd.

Hieruit blijkt dat de kort-gedingrechter in asielzaken een kleine, maar zeer belangrijke rol heeft gekregen en dat zal hij ook terdege dienen te beseffen. Een beoordelingsfout in het nadeel van de asielzoeker kan verregaande consequenties hebben. Daardoor is geen ander onderdeel van het Nederlandse recht zo met de Haagse politiek verstrengeld geraakt.

Eind jaren zeventig werd het de Tweede Kamer duidelijk dat er meningsverschillen tussen diverse rechtbanken bestonden over de vraag op welke wijze de kort-gedingrechter zich moest opstellen. Naar aanleiding hiervan werd in 1979 de motie Haas-Berger aangenomen, die uiteindelijk een plaats kreeg in de Vreemdelingencirculaire 1982. In deze motie werd het volgende schorsingscriterium geformuleerd: “Schorsende werking dient te worden verleend wanneer er tussen redelijk denkende mensen geen twijfel over kan bestaan dat de asielzoeker zich, objectief beschouwd, niet in een vluchtsituatie bevindt.”

Zo op het eerste gezicht geen eenvoudig criterium. Het gaf dan ook aanleiding tot uiteenlopende interpretaties. Betrekkelijk snel heeft de Hoge Raad in de zaak-Mosa (24 juni 1984) een duidelijke uitleg aan het criterium gegeven. De Hoge Raad stelt dat er sprake is van een wezenlijk strenger criterium dan het in andere korte gedingen gebruikelijke redelijkheidscriterium en onderkent daarmee de zeer kwetsbare positie van de asielzoeker.

Bij het constateren van ook maar de minste of geringste twijfel of de betrokken asielzoeker zich niet in een vluchtsituatie bevindt, zal de rechter die twijfel in het voordeel van de asielzoeker moeten uitleggen. De rechter zal terdege moeten beseffen dat hij geen beslissing mag geven op het asielverzoek. Dat doet de minister van justitie, al dan niet na correctie door de Raad van State.

In de loop der jaren is bij het aantreden van nieuwe kabinetten de redactie van het schorsingscriterium gewijzigd. De bewindslieden hebben de Tweede Kamer echter de verzekering gegeven dat de essentie van het schorsingscriterium ongewijzigd zou blijven en ook de Hoge Raad heeft in de afgelopen jaren herhaald dat het Mosa-criterium nog steeds van kracht is. Gebleken was namelijk dat sommige rechters daarmee op de loop waren gegaan.

Men zou verwachten dat kort-gedingrechters uiterst behoedzaam te werk zouden gaan in zaken waarin asielzoekers met uitzetting worden bedreigd. Dit is echter steeds minder het geval. Steeds meer presidenten laten deze korte gedingen behandelen door (vice)-presidenten in opleiding. Dit kan deels worden veroorzaakt door het feit dat de Staat er weinig voor voelt korte gedingen te verliezen en dus vaker zaken gewonnen geeft voordat de rechter zich daarover een oordeel heeft kunnen vormen. Hierdoor ontstaat wellicht de indruk dat korte gedingen die wèl doorgaan bij voorbaat als kansloos zijn te beschouwen, wat het werk voor de kort-gedingrechter minder aantrekkelijk maakt.

Het gevolg hiervan is dat vele afwijzende vonnissen uiterst summier worden gemotiveerd, als er tenminste op de dag van de behandeling van het kort geding zelf al niet mondeling vonnis wordt gewezen, wat de rechtszekerheid al helemaal niet ten goede komt. Een pregnant voorbeeld van de opstelling van de rechterlijke macht in asielzaken is te vinden in een uitspraak van de vice-president Kalbfleisch, weergegeven in het Nederlands Juristenblad van 23 mei 1991: “De bewijsstukken van de asielzoeker moeten zo zwaar mogelijk zijn. Dat je gaat twijfelen en ik twijfel niet zo vaak. Als een asielzoeker zegt dat hij in zijn land wordt vervolgd moet hij toch wel van goeden huize komen om op basis daarvan hier te kunnen blijven.”

In hun recente vonnissen geven ook de rechters van de rechtbank Den Bosch er blijk van buiten hun boekje te treden. In het ene geval matigt de rechter zich een oordeel aan te bepalen dat de asielzoeker geen vluchteling is, terwijl in het andere geval de collega zich in allerlei bochten wringt om de asielzoeker tegen verwijdering te beschermen. En dat terwijl de Hoge Raad inmiddels tot tweemaal toe uitdrukkelijk heeft uiteengezet hoe het wèl moet.

In plaats van sturend op te treden en de Adviescommissie en het ministerie van justitie zelf zorgvuldig te laten beslissen, trekt de kort-gedingrechter steeds meer macht naar zich toe, daarbij wellicht zonder het zelf te beseffen behoedzaam gemanoeuvreerd door de Staat, die uiteindelijk bepaalt welke zaken aan de rechter zullen worden voorgelegd.