Spaanse huisraad voor het Olympisch dorp

Het evenementenjaar 1992 is voor Spanje aanleiding om het werk van een nieuwe generatie modemakers, vormgevers en meubelontwerpers aan de wereld te tonen. De Olympische Spelen in Barcelona zullen waarschijnlijk als de smaakvolste van de eeuw de geschiedenis ingaan. Maar wat hebben de prestaties van ontwerpers als Javier Mariscal en Jaime Tresserra met Spanje te maken? Volgens de Engelse critica Emma Dent Road hebben ze een eigen, typisch Spaans gezicht. Haar stelling valt te controleren op een tentoonstelling in Barcelona, waar 38 ontwerpers een ideale woning inrichtten.

Casa Barcelona, t/m 2 feb in de Drassanes, Portal de la Pau 1, Barcelona. Di t/m za 10-14u en 16-19u, zo 10-14u. Op de prototypes kan ingetekend worden. Inl 09-343 3183245. De tentoonstelling zal het komende jaar rondreizen en in ieder geval New York, Milaan, Tokio en Mexico aandoen. De data hiervoor liggen nog niet vast. Emma Dent Coad: Spanish design and architecture, Uitg: Studio Vista, London. 1990. 208 blz. Prijs ƒ 75,80.

Spanje is in de mode en dat zal de komende tijd alleen nog maar erger worden. Wat in de afgelopen jaren nog gefluisterd of op beschaafde toon doorverteld werd, dreigt in 1992 van alle kanten opdringerig onder onze aandacht gebracht te worden: in Spanje is met de democratie een generatie modemakers, vormgevers en meubelontwerpers opgekomen die veel indruk maakt. Die zelfs toonaangevend in Europa is geworden.

De beweging is inmiddels al zo gerijpt en ingekapseld dat er overzichtswerken en catalogi verschijnen. In Barcelona, dat het belangrijkste centrum voor de nieuwe Spaanse vormgevers is, dienen de Olympische Spelen als aanleiding om het verzamelde talent op het gebied van de toegepaste kunsten eens uitgebreid over het voetlicht te brengen. De Spelen van 1992 zullen dan ook waarschijnlijk als de smaakvolste van de eeuw de geschiedenis ingaan. Maar wat hebben de prestaties van deze nieuwe Spaanse vormgevers met Spanje te maken? Hebben ze inderdaad een eigen, typisch Spaans gezicht? Die vraag is niet zo gemakkelijk te beantwoorden. Emma Dent Coad noemt in haar uitgebreide en fraai verzorgde boek Spanish Design and Architecture terloops een aantal kenmerken van de hedendaagse Spaanse vormgeving. Deze zou het vermogen bezitten moderne technieken met traditioneel vakmanschap te combineren.

Een uitgesproken voorbeeld hiervan is de Catalaan Jaime Tresserra. Hij maakte in de afgelopen jaren onder meer een vlindervormig bureau, een ellipsvormige kast, ingelegde kamerschermen en een schrijfcassette, die in gesloten toestand de glooiende vorm heeft van een dubbelgevouwen lap leer. Niet alleen de verleidelijke ronde vormen maken het werk van Tresserra bijzonder. Ook zijn materiaalkeuze, walnootfineer in twee kleuren en het met zorg gedetailleerde hang- en sluitwerk is perfect afgewerkt. De neiging om zijn werk te strelen is nauwelijks te bedwingen, zó mooi is het in elkaar gezet. Om te ontkomen aan de bezuinigingsdrang van producenten heeft deze voormalige rechtenstudent, edelsmid, reclamejongen en woninginrichter zijn eigen produktiemaatschappij opgericht.

Een ander kenmerk dat Emma Dent Coad in haar boek noemt is de nadruk op de functionaliteit. De strakke, moderne lijnen die Mies van der Rohe met zijn Duitse paviljoen voor de Wereldtentoonstelling van 1929 in Barcelona introduceerde, veroorzaakten een ware revolutie in het hoofd van vele Catalaanse ontwerpers, die tot dan toe vooral in de geest van barokke kunstenaars als Doménèch y Muntaner en Gaud werkten. Een grote verdienste van Muntaner en Gaud was overigens juist hun aandacht voor ambachtelijk vakmanschap; in Barcelona waren werkplaatsen ingericht waar aan jonge vakmensen de techniek van hout- en metaalbewerking en glas-in-lood zetten werd bijgebracht. Deze revolutie werd in de kiem gesmoord toen Franco aan de macht kwam. Dent Coad legt uit hoe produktontwikkeling en -onderzoek op het gebied van de vormgeving onder zijn bewind zoveel mogelijk tegengewerkt werden omdat dit gezien werd als een Catalaans-nationalistische cultuuruiting. Tegenwoordig blijkt het form follows function-principe weer een vruchtbaar uitgangspunt voor ontwerpers als Josep Lluscá, Miguel Milá en Jorge Garcá Garay. Zij hebben opmerkelijk veel aandacht voor de beperkingen die de omgeving aan een gebruiksvoorwerp stelt. Omdat Spaanse woningen vaak heel klein zijn maakte Vicent Martnez in 1984 bij voorbeeld zijn Magic table, die met één handgebaar van een smalle kast in een eetkamertafel verandert.

Functionaliteit hoeft humor niet uit te sluiten. Het is zelfs kenmerkend voor het werk van Javier Mariscal. Hij is grootmeester en wonderkind tegelijk. Als striptekenaar stak hij de draak met grafisch ontwerpers om zich vervolgens met groot succes op andere terreinen te begeven. Hij maakt beddegoed en porselein, meubels en schilderijen, hij richt openbare gebouwen in en produceert tekenfilms. Zonder twijfel zijn bekendste werk is Cobi, de mascotte van de Olympische Spelen. Het rare beestje danst op het ogenblik door heel Barcelona. Wie de laatste jaren de stad heeft bezocht, kan het door hem ontworpen café Gambrinus op de Moll de la Fusta, waar een enorme lachende garnaal over het dak hangt, nauwelijks gemist hebben. Zeker zo mooi is de nachttent "Las Torres de Avila'. Mariscal gaat altijd uit van visuele grappen en maakt daarna gebruik van de vakkennis van anderen om zijn idee uit te laten voeren. In dat opzicht is hij dan ook een unieke figuur.

En toch... vakmanschap, functionaliteit, gevoel voor humor - zijn dat nu typisch Spaanse eigenschappen? Zijn het niet eerder algemene kenmerken van het vormgeven aan het eind van de twintigste eeuw? De kracht van Spanish Design and Architecture ligt dan ook niet in de analyse. Wat het vooral de moeite waard maakt is de manier waarop Dent Coad een complexe markt in kaart brengt, voor een lezerspubliek dat de meeste ontwerpers en produkten niet kent. In afzonderlijke hoofdstukken komen architectuur, interieurverzorging, mode, grafisch design, meubilair en industriële vormgeving aan bod. Het laatste hoofdstuk synthetiseert helaas niet maar wordt misbruikt om propaganda te maken voor de gebeurtenissen van 1992: de Olympische Spelen in Barcelona, de Expo in Sevilla en Madrid als culturele hoofdstad. Vooral in Barcelona zijn cultuur en commercie vastbesloten een deel van de mondiale aandacht tijdens de Spelen voor zich op te eisen.

In een onlangs in deze stad geopende tentoonstelling wordt hierop alvast een voorschot genomen. Onder de titel "Casa Barcelona' is in de 13de-eeuwse Stadswerf huisraad bijeengebracht, gemaakt door 38 gerenommeerde Spaanse ontwerpers. Hiertoe waren zij uitgenodigd door de Olympiade Cultural, de organisatie die het culturele programma van de Spelen verzorgt. Aanvankelijk hoopte men zo een ideale woning voor het Olympisch Dorp in te kunnen richten. Bij het selecteren van meubilair en ontwerpers heeft de commissie geprobeerd mensen op een ander terrein te laten werken dan zij gewoon zijn. Zo heeft Oscar Tusquets voor het eerst een bed ontworpen. Dit "cama matrimonial', zoals in Spanje tweepersoonsbedden genoemd worden, heeft een anti-echtscheidingsgordijn aan het hoofdeinde, dat een van beide echtelieden kan uitklappen als hij of zij de partner even niet meer kan luchten of zien.

Sommige ontwerpers waren verbaasd of zelfs beledigd door het voorwerp dat hun was toebedacht, maar iedereen heeft uiteindelijk zijn medewerking toegezegd. Dat (bijna) alle meubels ook geproduceerd worden en dit jaar onder de merknaam "Casa Barcelona' in de winkel zullen liggen, en dat de tentoonstelling over de wereld gaat reizen, heeft de twijfelaars vermoedelijk over de streep getrokken.

Voor Juli Capella en Quim Larrea, de organisatoren van het project, vormde de Barcelona-stoel die Mies van der Rohe voor de Expo van 1929 ontwierp het uitgangspunt om eisen omtrent de verlangde ontwerpen te formuleren. Deze vertonen verrassende overeenkomsten met de karakteristieken die Emma Dent Coad in haar boek noemt. Zo moeten de ontwerpen vernieuwend zijn, een "culturele waarde' vertegenwoordigen, en uitgaan van een "gemeenschappelijke ideologische basis'. Die basis blijkt betrekking te hebben op de toepasbaarheid van het ontwerp: het moet flexibel zijn, dus bruikbaar in huis, kantoor of winkel, functioneel, duurzaam en commercieel.

Al snel werd duidelijk dat de inrichting van een huis onbegonnen werk zou zijn. De ingediende ontwerpen hebben namelijk ondanks de overeenkomst in uitgangspunten, bijzonder weinig met elkaar gemeen. Wie door de tentoonstelling loopt, ontkomt niet aan de gedachte dat men het samen-zien van de verschillende objecten zelfs heeft willen ontmoedigen. De expositie is ingericht in een hoge, kale ruimte die niet in de verste verte associaties met een huis oproept en de ontwerpen staan niet alleen ver van elkaar maar worden zelfs nog door strategisch geplaatste tussenwandjes van elkaar gescheiden. "Wie zal het wagen zijn huis in te richten met al deze produkten?', vragen de organisatoren zich in de inleiding van de catalogus af. "Wie dit zal doen, verkrijgt het portret van een museum, van het Spaanse design van het gelukkige jaar 1992,' beloven ze vervolgens.

Laten we het ons voorstellen: in de hal zou de prachtige halfronde kast Ciudadela van Joaquin Roca naast het klassieke, bolbuikige ontvangsttafeltje van Alberto Llevore staan. Boven dat tafeltje hangt dan ongetwijfeld de op de jaren zestig geïnspireerde spiegelmontage van Eduard Samsó en ernaast staat de strakke verchroomde paraplubak van Pep Bonet. Als verlichting gebruiken we de banaanvormige wandlampjes met Afrikaans motief van Rada en Lalastra en aan een andere wand tikt de strenge wandklok van Ramon Benedito de minuten van 1992 weg. Je mag werkelijk hopen nooit in dat huis verdwaald te raken. Een gevoelige ziel komt de voordeur nauwelijks voorbij.

Wat is er nog meer? Er zijn oubollige ideeën, zoals de jaren vijftig-tafellamp van Porqueras, naast perfect vormgegeven ontwerpen als het nachtkastje van Jorge Pens of de eerder genoemde klerenkast. Er zijn flauwe grapjes, zoals de aluminium kandelaar die in een schemerlamp omgetoverd kan worden, van de veelbelovende jonge ontwerper Pedro Miralles, en het lampje met flamencodansers. Toch zijn er veel meer geslaagde ontwerpen dan vergissingen: Bidasoa gaat het servies Ona produceren, dat het in zich heeft om een "klassieker' te worden, en Mariscal maakte peper- en zoutvaatjes die als kleine levende wezentjes iedere tafel opvrolijken. Teixid ontwierp een wijnrek voor kleinbehuisden: een kastje dat net iets breder is dan een fles, en 1m80 hoog, waarin flessen zowel liggend, staand en schuin bewaard kunnen worden. Hoogtepunt is de houten, lichtgebogen sigarendoos van Jaime Tresserra, met ingebouwde bevochtiger, waarin middels het verschuiven van kleine pinnetjes sigaren van ieder formaat een plekje kunnen vinden. Dat een dergelijk luxe object door de bedenkers van "Casa Barcelona' tot een onmisbaar element van de hedendaagse woning gerekend wordt, geeft wel aan welk publiek men in gedachten heeft gehad. En dat deze mensen ook kinderen zouden kunnen hebben, lijkt niet bij de bedenkers te zijn opgekomen.

"Casa Barcelona' is geen huis en er wonen ook geen echte mensen. De tentoonstelling bewijst vooral dat uitspraken over de "Spaanse vormgeving van de jaren tachtig' op papier wel kunnen kloppen maar niet van toepassing zijn op de werkelijkheid, die veel mooier en veel spannender is.