Opnieuw slaagt Amerika er niet in met Tokio een nieuwe koers in te slaan

Zelfs de Japanse gangsters rijden niet meer in Cadillacs. Detroit heeft het afgelegd tegen West-Europa, tegen de Mercedessen en Rolls Royces, die meer status hebben, zuiniger rijden en minder vaak in de garage staan. Intussen rijdt de Amerikaan liever in een Honda - maar dan wel een Accord, vorig jaar opnieuw de best verkochte wagen in de Verenigde Staten. Dertig procent van de Amerikanen heeft een Japanse auto, en nog geen half procent van het Japanse wagenpark komt uit Amerika.

President Bush noemt zich een vrijhandelaar. Toch neemt hij het niet zo nauw met de wet van vraag en aanbod. De Japanners zullen en moeten Amerikaanse auto's afnemen, vindt hij. Nog voordat Bush aan het diner met premier Miyazawa onwel werd, had de Amerikaanse president zich ontpopt als een eenvoudige autohandelaar. In zijn kielzog hing een stoet duurbetaalde Amerikaanse ondernemers die denken dat deze ouderwetse spierballen-politiek de enige manier is om uit de rode cijfers te komen.

Het was een beschamende vertoning. Wat een gedenkwaardige ontmoeting had moeten worden waarbij de economische supermachten na het verdwijnen van de Koude Oorlog tot hernieuwde samenwerking zouden komen, liep uit op een nieuwe ronde bashing, Japannertje pesten. Jobs, jobs, jobs, zei de president toen hij naar Tokio vertrok, daar ging het om. Banen voor Amerikanen, wel te verstaan. Het is duidelijk waar het Bush om te doen is. Amerika kampt met grote economische problemen en schuift de schuld op Japan. Een gemakkelijke manier om in eigen land een verkiezingssucces binnen te halen in de race om een hernieuwd presidentschap.

Heeft het Witte Huis geen andere remedie om de economie weer op de been te helpen? President Bush staart zich blind op het handelstekort met Japan. Maar handelstekorten veroorzaken geen werkloosheid. In de Roaring Eighties toen Amerika kampte met een recordtekort van honderdveertig miljard dollar, werden miljoenen banen geschapen en was er vrijwel volledige werkgelegenheid. Nu stijgt de werkloosheid terwijl het handelstekort, ook met Japan, is gedaald.

Dat Japan nu bereid is meer Amerikaanse auto-onderdelen te importeren, is toe te juichen. Maar het is niet hèt wondermiddel om de Amerikaanse ziekte te genezen. Zelfs een grotere export naar Japan, kan een verlies van tienduizenden banen in de Amerikaanse auto-industrie niet voorkomen.

Al in 1980 klaagden General Motors, Ford en Chrysler dat ze marktaandeel aan Japan verloren. Ze dwongen een beperking van Japanse auto's naar de VS af: een adempauze om de produktie te moderniseren. Nu zijn we tien jaar verder. Maar met de Grote Drie gaat het nog veel slechter. Vorig jaar verloor General Motors tussen de zes en acht miljard dollar. Fabrieken worden gesloten en 74.000 mensen raken hun baan kwijt. Ook Ford en Chrysler kampen met zware verliezen.

Hoe kon het zover komen? Nog steeds zijn de Amerikaanse slagschepen voor Japan te traag, te groot, te energieverslindend en het stuur zit voor de links rijdende Japanners aan de verkeerde kant. Pas eind vorig jaar ontwikkelde Chrysler een jeep met het stuur aan de rechterkant. O ironie: Lee Iacocca, de topman van Chrysler, verklaarde in Tokio dat Amerika het ""laatste bastion van vrijhandelaars'' is. Juist hij laat geen gelegenheid voorbij gaan protectionistische maatregelen af te dwingen. Al in 1979 klopte hij bij de staat aan voor miljardensubsidies omdat Chrysler failliet dreigde te gaan.

Natuurlijk is het pijnlijk dat de Amerikaanse auto-industrie - ooit het achtste wereldwonder - sinds de crisis van 1979 miljardenverliezen lijdt, terwijl de Japanners winstgevend bleven produceren. De elektronica- en chipindustrie vertoonden eenzelfde beeld. Amerika raakte zijn leidende positie kwijt en kon het zelfs op hun thuismarkt niet bolwerken tegen de Japanners.

Wie had dit na de Japanse nederlaag in de Tweede Wereldoorlog kunnen denken? Deze verrassende wending heeft in Amerika een hoog oplopende discussie veroorzaakt over de relatie met Japan. Aanvankelijk waren er de bewonderaars die vonden dat Amerika veel van Japan kon leren. Zo kreeg de Japan-expert Ezra Vogel veel aanhangers met zijn Lessons for America. Maar naarmate Amerika op industrieel gebied terrein verloor, lieten de bashers vaker van zich horen. Zij vinden Japan geen kapitalistische democratie, omdat het producenten bevoordeelt en niet de consument. Japan kent een sterk gestuurde economie, bedrijft vijandige handel en reageert niet op marktprikkels. Daarom vereist Japan een andere, hardere aanpak, wat ook bepleit wordt door de publicist Karel van Wolferen, die vroeger vanuit Tokio voor NRC Handelsblad schreef.

Kennelijk heeft president Bush de lessen van Vogel naast zich neergelegd. Anders had hij zich niet als een basher ontpopt. Is inmiddels niet gebleken dat Japan gewoon op marktprikkels reageert? Het meest frappante bewijs is wel de fenomenale aanpassing van Japans industrie na de revaluatie van de yen in 1985 die het Japanse handelsoverschot moest verminderen.

Is niet ook gebleken dat Amerika zijn belangrijkste economische problemen vooral aan zichzelf te wijten heeft? Aan falende ondernemers die in de jaren tachtig miljarden staken in overnamespelletjes zodat er nu geen geld meer is voor investeringen. Ondernemers, die royale salarissen en dividend ontvingen terwijl hun bedrijf in de rode cijfers zat, die het belang van kwaliteitsprodukten hebben onderschat en geobsedeerd zijn door de waardering die Wall Street hun kwartaalcijfers toekent.

Heeft de Amerikaanse laissez-faire niet geleid tot excessen waarbij het tekort aan publieke voorzieningen schril afsteekt tegen de rijkdom van een dunne toplaag van welgestelden? Natuurlijk kan president Bush alle problemen niet ineens oplossen. Maar hij zou, om te beginnen, kunnen erkennen dat Amerika zelf verantwoordelijk is voor de economische aberraties. Misschien dat de lucht dan wat opklaart en de betrekkingen met Tokio daadwerkelijk verbeteren. Want het beleid tussen de twee partners, die elkaar uitsluitend nog over handelskwesties in de haren vliegen, is in de nieuwe internationale verhoudingen aan vernieuwing toe.

Amerika en Japan zouden er beter aan doen hun economische strubbelingen uit te vechten in het forum dat daarvoor in het leven is geroepen: de Gatt, de wereldhandelsorganisatie. Dan kunnen beide landen zich tenminste bezighouden met internationale politiek en defensie. Japan kan als tweede economische supermacht niet langer wegkruipen onder Amerika's defensieparaplu. Het land is te belangrijk om als een diplomatieke eunuch door het leven te gaan. Het gestuntel tijdens de recente Golf-oorlog waarbij Japan weifelde en weifelde over het sturen van geld en vredestroepen ligt nog vers in het geheugen.

Ook Japan moet een nieuwe rol durven spelen. Bijvoorbeeld als regionale conflict-oplosser, leverancier van vredestroepen en financier van de 55.000 Amerikaanse soldaten die het zo graag in zijn land wil houden. Lidmaatschap van de Veiligheidsraad hoort daar natuurlijk ook bij. Dat is Rusland na het uiteenvallen van het Sovjet-rijk heel wat sneller gelukt.

Een volwassen rol als lid van de internationale gemeenschap dwingt Japan automatisch zich ook aan de economische spelregels te onderwerpen.

Jammer, dat Bush in Tokio een kans heeft laten schieten om de nieuwe wereldorde enig gezicht te geven.