Nabije ster-explosie wellicht van invloed op tempo evolutie

Volgens de Russische astrofysicus G.E. Kocharov zou er ongeveer 35.000 jaar geleden betrekkelijk dicht bij de aarde een ster zijn geëxplodeerd.

De energierijke straling van deze ster kan een belangrijke invloed hebben gehad op het tempo van de evolutie op aarde. Kocharov meent het optreden van zo'n supernova te kunnen afleiden uit een verdubbeling van de concentratie van het isotoop beryllium-10 op een diepte van 60 meter in het ijs van Groenland en Antarctica. Hij maakte zijn bevindingen bekend tijdens een recente bijeenkomst van de American Geophysical Union.

Beryllium-10 ontstaat door botsingen van deeltjes van de kosmische straling met stikstof- en zuurstofatomen hoog in de atmosfeer. Deze deeltjes komen uit alle richting van het heelal en bereiken via de magnetische veldlijnen de polen van de aarde. Het beryllium-10 hecht zich gemakkelijk aan stofjes en andere kleine deeltjes, die naar de troposfeer zakken en van daaruit via neerslag op aarde komen. Hier blijft het beryllium bewaard in onder andere sneeuw en ijs, waar het zeer langzaam vervalt (vervaltijd 1,5 miljoen jaar). Door een nabije ster-explosie zou de intensiteit van de kosmische straling en dus ook de concentratie beryllium-10 moeten toenemen.

Supernova's komen in ons Melkwegstelsel gemiddeld eenmaal per vijftig jaar voor. Omdat dit stelsel zo uitgestrekt is (diameter 100.000 lichtjaar), is de kans op een explosie dicht bij de aarde echter zeer klein. Volgens de berekeningen van Kocharov zou de verdubbelde concentratie beryllium-10 goed te rijmen zijn met een supernova op een afstand van slechts 150 lichtjaar. De exploderende ster zou een helderheid van vele volle manen moeten hebben gehad (maar toch een punt van licht zijn gebleven), zodat de toen levende Cro-Magnonmensen lange tijd geen echte nacht meer hadden. De deeltjesstraling van de exploderende ster zou bovendien radioactiviteit in de aardatmosfeer hebben veroorzaakt, hetgeen weer tot een groter aantal spontaan optredende mutaties zou hebben geleid. Het tempo van de evolutie zou er tijdelijk door zijn versneld.

Kocharov meent het optreden van een nabije supernova ook te kunnen afleiden uit stalagmieten in druipsteengrotten in Afrika en Australië. Het kalksteen van 35.000 jaar geleden zou een hogere concentratie koolstof-14 bevatten, een ander isotoop dat gevormd wordt wanneer deeltjes van de kosmische straling de aardatmosfeer binnendringen. Tot nu toe heeft men nog niet gekeken of er in die tijd in het verleden een opvallende verandering in het uitsterven of opkomen van levensvormen heeft plaatsgevonden. Velen staan bovendien skeptisch tegenover Kocharov's verklaring voor de hogere concentratie beryllium-10, omdat die ook door andere effecten veroorzaakt zou kunnen zijn. Ook veranderingen in het magnetische veld van de aarde of in de activiteit van de zon zijn van invloed op de hoeveelheid kosmische straling die de aardatmosfeer bereikt.