Levensverwachting

Hartje winter is het. Het blad is van de bomen, maar al het water ligt nog open. Het aantal vogelsoorten in de stad is minimaal. Des te makkelijker stelt de stadsbewoner vast dat er maar twee soorten meeuwen in zijn bebouwde kom rondvliegen: grote en kleine. Zilvermeeuwen en kokmeeuwen. Over die kleine meeuw - ook wel kapmeeuw geheten - gaat het hier vandaag: over de kokmeeuw en hoe oud die wordt.

De stadsbewoner die op aansporing van "Vogelbescherming' aan het vogelen was geslagen had al opgemerkt dat de kokmeeuwen er deze maanden anders uitzien dan anders, minder kok dan 's zomers als ze een zwarte kop hebben. De kokmeeuwen vliegen nu in hun winterkleed: van het kopzwart resteren slechts een paar donkere vlekjes. Lang zal dat trouwens niet meer duren, hier en daar is een vogel alweer aardig op weg naar zijn zomerkleed en begin maart heeft de helft weer een zwarte kop.

Tussen de vogels die nu bijna allemaal in winterkleed zijn zijn nog meer verschillen waarneembaar. Het merendeel van de vogels heeft alleen witte, grijze of zwarte veren en bezit daarbij mooi scharlaken-rode poten. Maar een bescheiden percentage bezit juist gelige of geelbruine poten, bruine vlekken op de vleugels en een heel markante donkere eindband in de staart. Dat zijn eerstejaars vogels in hun zogeheten "jeugdkleed'. Het zijn de vogels die vorige zomer uit het ei kwamen. Ze bewaren hun typische uiterlijk tot in februari en maart - het langst behouden de poten hun jeugdkleur. Dit voorjaar worden ze geslachtsrijp.

Eerstejaars kokmeeuwen zijn dus goed als eerstejaars te herkennen. Daar hoeft de waarnemer bij huismussen en koolmezen niet om te komen en ook bij zilvermeeuwen ligt het niet zo simpel: die raken pas na drie jaar in een volwassen kleed. Daarom keek het AW-team de afgelopen dagen uitsluitend naar de bruin gestippelde kokmeeuwen.

Wat de jonge meeuwtjes zelf voor nut hebben van hun jeugdkleed is niet helemaal duidelijk zoals het niet helemaal duidelijk is waarom zeevogels bijna altijd alleen in de tinten wit, grijs en zwart worden uitgevoerd. Onderzoeker dr. A.L. Spaans van het Instituut voor bos- en natuuronderzoek in Arnhem neemt aan dat er wel een zekere relatie is met het typische fourageer-gedrag van de jonge vogels: ze zoeken hun voedsel meer boven land dan de volwassen kokmeeuwen. Het zijn om zo te zeggen nog geen echte zeevogels. Maar overigens houdt hij het er graag op dat het jeugdkleed vooral een soort noodzakelijk kwaad is: het zijn de resten van het nog veel bruinere verenkleed dat de jongen in het nest zo'n veilige camouflage gaf.

Voor de amateuronderzoeker heeft het jeugdkleed zeker nut. Hij komt daardoor makkelijk tot een redelijke schatting van het percentage eerstejaarsvogels en kan eens peinzen over de vraag of uit dat percentage (en dat percentage alléén) de gemiddelde leeftijd van kokmeeuwen valt af te leiden. Hoe hoger het percentage, hoe lager immers de gemiddelde leeftijd zal zijn.

Spaans zelf denkt dat dat niet mee zal vallen, omdat het niet meevalt het percentage goed te meten. ""De verschillende jaarklassen vliegen niet homogeen gemengd door elkaar. De oudste vogels vliegen waarschijnlijk boven de beste fourageergebieden.''

Met het pistool op de borst komt hij tot de uitspraak dat er momenteel zo'n 10 tot 20 procent eerstejaars kokmeeuwen in Nederland vliegen. (Het AW-team houdt het, na uitputtende observaties in Amsterdam, liever op 10 procent.) Een kokmeeuw zal gemiddeld zo'n tien jaar oud worden, denkt hij.

Onderzoeker Rinse Wassenaar, hoofd ringcentrale van het Nederlands Instituut voor oecologisch onderzoek in Heteren weigert überhaupt op grond van een percentage tot een schatting van de gemiddelde kokmeeuw-leeftijd over te gaan. Wel leert een vluchtige analyse van de 26.927 tussen 1911 en heden teruggemelde kokmeeuwen dat de oudste Nederlandse kokmeeuw waarschijnlijk 25 jaar werd. Enkele hier gesignaleerde Scandinavische vogels waren nog een paar jaar ouder.

Gelukkig is daar dan het bekende tijdschrift "De Pieper' van de Noordhollandse ornithologen waarin de bioloog Niels Daan in 1973 voorrekende hoe uit zeer elementaire waarnemingen aan een populatie kolganzen een aantal interessante populatie-dynamische grootheden viel af te leiden. Daan, nu visserijbioloog in IJmuiden, staat nog steeds in hoofdlijnen achter zijn artikel. Daarmee is dan toch opeens een middel in handen om uit het percentage eerstejaars tot een schatting van de gemiddelde kokmeeuw-levensverwachting te komen.

Dit is de redenering: als de Nederlandse kokmeeuw-populatie redelijk stabiel van omvang is (wat volgens Spaans ruwweg het geval is) en als onder het aantal eerstejaars dat nu nog rondvliegt vóór het nieuwe broedseizoen geen buitensporige sterfte meer optreedt dan zien we nu de bruingespikkelde aanwas rondvliegen die door een even grote sterfte zal moeten worden "geneutraliseerd'. Dat betekent dat ook de mortaliteit (het percentage vogels dat per jaar sterft) 10 procent moet zijn. Gaan we er bovendien van uit dat de mortaliteit onder alle jaarklassen even groot is (wat wel vaker wordt aangenomen) dan komt men op een gemiddele levensverwachting van een nuldejaars kokmeeuw van zeven jaar. Dat is de tijd (0,9 7) waarin de groep nieuwkomers ruwweg zal zijn gehalveerd (de definitie van de gemiddelde levensverwachting). In werkelijkheid zal de levensverwachting geringer zijn omdat juist tussen uitkomend ei en geslachtsrijpheid een extreem hoge mortaliteit optreedt.

(Voor de menselijke populatie in Nederland, die 1,26 procent individuen in de eerste jaarklasse heeft zitten leidt dezelfde botte methode tot een levensverwachting van 55 jaar. Niet zo netjes, maar toch ook niet zo gek.)

Rinse Wassenaar heeft een kanttekening. ""Het is u toch bekend'', zegt hij voorzichtig, ""dat hier 's winters andere kokmeeuwen zijn dan 's zomers? Wat hier nu rondvliegt zijn voornamelijk Baltische en Scandinavische vogels. Onze eigen vogels komen pas in het voorjaar terug.''

Welnu, dan was deze berekening slechts een vingeroefening.

Vogelringen kunnen gezonden worden naar Vogeltrekstation, Postbus 40, 6666 ZG Heteren