Kerkbestuurders zijn te goed van geloof; Kerken moeten zich beter beveiligen tegen roof kunstschatten

NIJMEGEN, 9 JAN. Kerken moeten meer aan inbraakpreventie doen. Een godshuis dat in principe altijd zijn deuren wijd open moet houden voor gelovigen kan zich, ook al bevinden zich in het gebouw voorwerpen die zeer kostbaar en dikwijls onvervangbaar zijn, niet beveiligen als een museum. Maar simpele veranderingen kunnen al veel verbeteren. Zo kan de pastoor de sleutel beter niet meer voor het oog van iedereen onder het kleedje van de tabernakel leggen, zouden tralies voor het raam naast het altaar geen overbodige luxe zijn, moet de sleutel niet aan een spijker naast de brandkast van de sacristie hangen en kunnen kostbare beeldjes beter met een pen worden vastgezet.

Zo op het oog voor de hand liggende maatregelen, die P. le Blanc, kunsthistoricus en directeur van de Stichting Kerkelijk Kunstbezit in Nederland (SKKN), opnoemt. Maar in praktijk blijken ze niet zo vanzelfsprekend. Kerkbestuurders vertrouwen nog te veel op het goede in de mens, op een besef van heiligschennis.

Dat lang niet iedereen dat normbesef bezit hebben de diefstallen van kunstschatten uit twee Nijmeegse kerken in de afgelopen weken bewezen. Het inbrekersgilde dat gespecialiseerd is in kunstroof uit kerken slaat steeds selectiever zijn slag. De dieven blijken vaak uitstekend op de hoogte van wat de kostbaarste stukken in de kerk zijn.

De kerkschatten zijn in eigen land vaak niet te verhandelen, maar in Amerika worden fabuleuze bedragen neergeteld voor een Avondmaalbeker of Mariabeeld uit Europa. De spullen het land uitsmokkelen, van de hand doen voordat er ruchtbaarheid is gegeven aan de diefstal, jaren wachten, of, in het uiterste geval, omsmelten: dat is wat volgens Le Blanc gebeurt met gestolen kerkschatten.

Een manier om de diefstallen terug te dringen is volgens hem het niet vermelden in catalogi in welke kerk de getoonde voorwerpen zich bevinden. Deze vorm van preventie wordt al zo veel mogelijk toegepast. In sommige gevallen vormt dat echter een probleem. Zo kan de NCRV in haar folders voor het televisieprogramma Kerkepad moeilijk heen om het noemen van plaats en kerk. M. Pronk, lid van de provinciale kerkvoogdij van de hervormde kerk in Gelderland en belast met de inventarisatie van kunstzaken, heeft het al een keer horen vallen: Kerkepad is dievenpad. “Misschien is het naïef van ons om in programma's als Kerkepad en op open dagen uitgebreid onze schatten te tonen. Maar voor ons is het onvoorstelbaar dat mensen zich vergrijpen aan kerkelijke bezittingen. Daar kom je niet aan. Vooralsnog doe ik liever een beroep op de betere elementen in de mens dan de kunstvoorwerpen te vervangen door replica's en de originelen in een kluis bewaren, zoals de Britten met hun kroonjuwelen doen”, zegt Pronk.

C. Jansen, lid van NCRV's team van Kerkepad, verklaart nooit te hebben gehoord van inbraken in kerken na een uitzending. “Integendeel, we adviseren kerkbesturen juist om voorwerpen van waarde weg te halen en er foto's van te laten zien. En die raad wordt dikwijls opgevolgd.”

Niet een vorm van preventie, maar wel een mogelijkheid om gestolen objecten sneller op te sporen biedt de Stichting Kerkelijk Kunstbezit in Nederland (SKKN), die de kostbaarheden in Nederlandse kerken inventariseert en registreert. De objecten worden nauwkeurig beschreven en komen terecht in de databank van de stichting. Van belangrijke stukken worden foto's gemaakt. Door deze registratie desgevraagd beschikbaar te stellen aan de Centrale Recherche Informatiedienst zijn in de afgelopen jaren een aantal uit kerken ontvreemde kunstschatten achterhaald.

De veertig kunstvoorwerpen die in de nacht van 30 op 31 december uit de Nijmeegse Nederlandse hervormde St. Stevenskerk werden geroofd, waren echter niet geregistreerd bij de SKKN. De schade bedraagt enkele honderdduizenden guldens. Sommige stukken dateren uit de 17de en 18de eeuw en zijn vervaardigd door befaamde Nijmeegse zilversmeden. De roomskatholieke kerk in Nijmegen, die enkele dagen na de diefstal uit de St. Stevenskerk een vergulde kelk en een zilveren hostieschaal miste, had wel voor registratie gezorgd. Uitgezonderd de hervormde kerken hebben vrijwel alle kerken in Nederland dat de laatste jaren gedaan. Ook de inventarisatie van het bezit van de kloosterordes is nu rond, aldus Le Blanc.

Bij de hervormde kerk begint het registratieproces langzaam op gang te komen. Zij heeft per provincie een commissie aangewezen voor het kerkvoogdijwerk, waaronder ook de inventarisatie van gebouwen en kunst valt. Pronk coördineert die inventarisatie in Gelderland. Twee jaar geleden benaderde hij al de kerkvoogdij van de St. Stevenskerk in Nijmegen met het verzoek haar kunstschatten te laten registreren. De kerkvoogden brachten dit verzoek nooit over aan de particuliere stichting waarin de kerk sinds 1984 was ondergebracht. “Een pijnlijk misverstand”, constateert Le Blanc. Verzekeringsmaatschappij Donatus in Den Bosch is gespecialiseerd in het verzekeren van kerkgebouwen en inventarissen. Ruim 12.000 kerken hebben er samen een verzekerd bedrag van 3,5 miljard gulden uitstaan. Donatus verzekert echter alleen vervangbare objecten en de meeste kerkschatten zijn dat niet. Meer dan een half miljoen is de maatschappij jaarlijks dan ook niet kwijt aan gedupeerden.