Het paradijs als schoffeltuin bij Römer en Tiel

Voorstelling: Ockhams scheermes, door Han Römer en Titus Tiel Groenestege. Regie: Helmert Woudenberg. Gezien: 8/1 in Nieuwe de la Mar, Amsterdam.

“Laten we afspreken,” zegt Han Römer halverwege Ockhams scheermes, “dat iets is wat het is. En dat we er verder niks mee bedoelen.” Titus Tiel Groenestege, zijn tegenspeler, gaat ogenschijnlijk akkoord - goed, goed, dat is afgesproken. Maar in zijn hart is hij het er niet mee eens, hij wil eigenlijk symboliek, hij zoekt metaforen om te zien of daarmee de kern van het bestaan kan worden doorgrond. Hij kan zich er bijvoorbeeld niet bij neerleggen dat een dwarse eenling niet in staat zou zijn om de koers van de mensheid te veranderen. Römer wel, die houdt zich vast aan zekerheden, hoe cynisch ze ook zijn. Zou de wereld paradijselijk moeten zijn? Welnee, dat paradijs was toch een oersaaie tuin waar de hele dag onbenullig werd geschoffeld?

Ockham was de veertiende-eeuwse wijsgeer die meende, dat het geen zin heeft beweringen te doen zonder empirisch of natuurkundig bewijs. De makers van Ockhams scheermes vertalen dat met: als je alle ballast wegsnijdt, hou je vanzelf de kern over. Met andere woorden: we moeten elkaar zeggen waar het op staat. Hun voorstelling bestaat voornamelijk uit scènes die illustreren hoe moeilijk dat is en hoe vaak het mislukt. Zoon komt bij vader en vertelt dat hij overspannen is, hij heeft dan ook even vakantie genomen. “Ah vakantie!” reageert vader. “Waar naar toe?” Zoon, even van zijn stuk gebracht, antwoordt: Griekenland. Het gesprek gaat verder over Griekenland.

In verschillende rollen, op een zwart toneel en zonder verkleedpartijen, draaien Römer en Tiel Groenestege om elkaar heen. Dat is vaak om te lachen. Vooral als de grappen bijna per ongeluk, in korte korzelige zinnetjes, lijken te ontstaan - bij de gratie van het verbale misverstand dat al in een woord van één letter kan schuilen: “Zullen we jij tegen elkaar zeggen? U begint mij te irriteren.” Op zulke momenten raken de spelers, met hun weerbarstige timing en hun hoekige motoriek, in een stroomversnelling die hun dialogen uittilt boven het niveau van een diepzinnig gesprek aan een nachtelijke cafétafel. Er staan, vind ik, ook scènes tegenover die blijven steken in de improvisaties van het repetitielokaal, te snel door regisseur Helmert Woudenberg in orde bevonden, niet puntig genoeg om iets te verduidelijken. En soms laten ze zich te makkelijk meevoeren door een emotie waar nog geen theater van is gemaakt: een schreeuw is niet per definitie indrukwekkend.

Römer en Tiel Groenestege bedoelen véél met hun voorstelling. Maar wat mij het meest zal bijblijven, zijn de momenten waarop die bedoelingen onder hun optreden liggen - en niet er bovenop.