Denemarken stopt met stadsverwarming op visolie

Denemarken stopt met het gebruiken van visolie voor het opwekken van energie. In de periode tussen 1994 en 1998 moeten alle "stadsverwarmingsfabrieken' die nu nog deze uit vis verkregen brandstof gebruiken, zijn overgeschakeld op aardgas, houtsnippers of stro. Op het ogenblik zijn er nog ongeveer tien fabrieken die - gedeeltelijk - op visolie draaien. In Nederlandse visserijkringen is men blij dat dit "bijprodukt' van de industriële visserij op de Noordzee aan banden wordt gelegd.

Stadsverwarming is in Denemarken een veelvuldig toegepast systeem. Meer dan de helft van alle Deense huishoudens is aangesloten op deze vorm van energieopwekking. Zo maken Kopenhagen en de omliggende plaatsen gebruik van de warmte die vrijkomt bij de opwekking van elektriciteit in de kolengestookte centrale net buiten de stad.

Maar ook op het platteland, in dorpen waar in de wijde omtrek geen elektriciteitscentrales staan, wordt het systeem toegepast. Daartoe zijn speciale fabrieken gebouwd, waar de warmtebehoefte van een heel dorp of stadje wordt geproduceerd. In verreweg de meeste gevallen is olie of steenkool de brandstof voor deze "warmtefabrieken'.

In die van het stadje Grindsted op Jutland wordt echter visolie door de stookolie gemengd. Visolie is een produkt van de vismeelfabrieken waarvan Denemarken er acht telt. Vorig jaar waren die samen goed voor een produktie van 260.000 ton vismeel en 90.000 ton visolie. Met die aantallen steekt Denemarken met kop en schouder uit boven andere EG-landen. Op de wereldranglijst neemt Denemarken de zesde plaats in, na Japan, Chili, Peru, de Sovjet-Unie en de VS.

Van alle visvangst die er op de Noordzee plaatsvindt, is die voor industriële doeleinden het grootst. Uit cijfers van Greenpeace blijkt dat meer dan de helft van alle vis die er wordt gevangen bedoeld is voor industriële verwerking. Elke 100 kg vis levert zo'n 20 kg vismeel op en - afhankelijk van de soort - 2 tot 10 kg olie.

Vismeel wordt vooral verwerkt in diervoerders; de olie wordt toegepast bij de bereiding van margarine, verf en vernis. Daarnaast bestaat er een medicinale toepassing. Gezien het hoge gehalte aan meervoudig onverzadigde vetzuren leent visolie zich goed voor verwerking in capsules tegen hart- en vaatziekten. ""Maar de lage prijs voor visolie op de wereldmarkt noopte ons naar andere afzetmogelijkheden te kijken,'' zegt Jannik Schougaard, directeur van de Deense Vereniging van Vismeel- en Visolie-industrieën uit. Omdat er op visolie geen belasting rust is visolie een goedkope vorm van brandstof.

Om duidelijk te maken hoezeer Schougaard gekant is tegen het gebruik als brandstof haalt hij een resolutie aan die zijn Vereniging in 1986 heeft aangenomen. Daarin hebben de aangesloten leden zich verplicht zich niet in te laten met de import van visolie met het doel die als brandstof aan de man te brengen.

Het Deense parlement is intussen een stap verder gegaan. ""Bij wet is vastgelegd dat er geen nieuwe stadsverwarmingsfabrieken mogen bijkomen waar visolie wordt gestookt'', vertelt Astrid Skotte van het ministerie van energiezaken. ""Bestaande fabrieken krijgen tot 1998 de tijd om over te schakelen op andere energiebronnen.''

L.J. Zijp, hoofd afdeling handel van het Nederlandse Produktschap voor Visserij en Visserijprodukten is blij dat aan dit randverschijnsel van de industriële visvangst een einde komt. ""Wij in Nederland verzetten ons zeer fel tegen de industriële visvangst. De Denen zeggen weliswaar enkel op zandspiering te vissen, maar de methode is uiterst a-selectief. Ook kleine exemplaren van andere vissoorten worden gevangen.''

Ook Schotland is tegen de Deense visserijpraktijken. De grootschalige vangst op zandspiering zou de oorzaak zijn van de dramatische achteruitgang van de zalm in Schotse rivieren. Zandspiering vormt een belangrijk onderdeel van het menu van zalmen in de jaren dat zij in zee leven. Ook vogelbeschermers zijn fel gekant tegen de industriële visvangst. Juist kleine vissen als zandspiering vormenhet stapelvoedsel voor zeevogels. Het wegvangen hiervan heeft tot grote vogelsterfte op de Schotse eilanden geleid.

Schougaard wijst dit verwijt aan het adres van zijn bedrijfstak van de hand. ""De visstand in de Noordzee loopt niet zozeer gevaar door de industriële visserij als wel door de grote hoeveelheid vis die bij de gewone visvangst als afval overboord wordt gezet. Dat aandeel kan wel tot veertig procent oplopen.''