De zoon van de bakker wordt geen notaris

De universiteiten zijn de laatste jaren gegroeid als kool. Maar het aantal studenten uit de lagere sociale milieus nam verhoudingsgewijs nauwelijks toe.

De sterke groei van het aantal studenten aan universiteiten en hogescholen heeft vooral de positie van vrouwen verbeterd. Zij maakten de afgelopen veertig jaar een enorme sprong vooruit en vormen op dit moment meer dan 46 procent van de studentenpopulatie. Dat is ruim een verdubbeling vergeleken met begin jaren vijftig. Over enkele jaren zullen vrouwen een meerderheid onder de studenten vormen. Terwijl het aantal mannelijke studenten geleidelijk daalt, beginnen alsmaar meer vrouwen aan een studie in het hoger onderwijs.

Met de emancipatie van studenten afkomstig uit de lagere sociale milieus is het de afgelopen decennia veel minder voorspoedig gegaan. Hun aantal is weliswaar fors gestegen, maar hun relatieve aandeel in het totale studentenbestand nam nauwelijks toe. Halverwege de jaren tachtig is zo'n 13 procent van de universitaire studenten afkomstig uit een arbeidersmilieu. Zo'n 27 procent van de studenten komt uit hogere sociale milieus. Deze categorie vormt negen procent van de bevolking, de geschoolde en ongeschoolde arbeiders bijna eenderde (31,3 procent).

Hoe het komt dat de emancipatie van de vrouw in het hoger onderwijs wel lijkt te lukken, terwijl er niet veel vooruitgang wordt geboekt bij de sociale emancipatie? De psycholoog en onderwijskundige dr. J.K. Koppen weet het niet precies. Onbetwistbaar is het aantal meisjes dat HAVOen VWOvolgt sterk toegenomen, en besluiten zij bovendien vaker dan in het verleden om na het eindexamen verder te studeren.

Volgens Koppen zal er pas sprake zijn van daadwerkelijke externe democratisering - gelijke kansen voor gelijk getalenteerden - als er behalve meer meisjes ook meer leerlingen uit de lagere inkomensgroepen op HAVOen VWOterecht komen. Uit het huidige leerlingenbestand valt volgens Koppen nauwelijks meer te halen dan de ruim negentig procent van de eindexaminandi aan HAVOen VWOdie naar een vervolgopleiding in het hoger of het middelbaar beroepsonderwijs gaat. Een grotere doorstroming nastreven is niet realistisch, meent hij.

Koppen promoveerde in december aan de Universiteit van Amsterdam op het proefschrift Een kwestie van discipline. Over de externe democratisering van het wetenschappelijk onderwijs. Daarin schrijft hij dat het met de sociale emancipatie in het hoger onderwijs, en dan met name aan de universiteiten, droevig is gesteld. Ook maakt hij duidelijk dat er nog geen sprake hoeft te zijn van externe democratisering als er wél studenten uit lagere milieus aan een universiteit staan ingeschreven. Ook dan verkeren deze studenten namelijk nog in een achterstandssituatie: bij studiekeuze, prestaties, uitval en - daarna - carrière blijken sociale verschillen een belangrijke rol te spelen, aldus Kopppen. En terwijl in het basis- en voortgezet onderwijs achterstand inmiddels een belangrijk punt van aandacht is geworden, wordt aan de universiteiten gedaan alsof er niets aan de hand is. Ten onrechte: ""Als de universiteiten er geen item van maken, zal de samenleving hen daar op een gegeven moment wel toe dwingen.''

Externe democratisering

In een cultuur waar de overheid al tientallen jaren de koers van de universiteiten uitzet hoeft deze gang van zaken geen verbazing te wekken. Externe democratisering is in al die decennia namelijk nooit een uitgesproken doel van overheidsbeleid geweest, op één uitzondering na: in het kabinet Biesheuvel namen de ministers Van Veen en De Braauw (CHUen DS70) begin jaren zeventig ""het recht op optimale ontwikkelingskansen voor alle sociale milieus'' als uitgangspunt voor hun beleid.

Hun opvolgers, de PvdA'ers Van Kemenade en Klein, schrapten die doelstelling: van een spectaculaire groei van het hoger onderwijs wilden zij niets meer weten, constateert Koppen, want dat zou te duur worden. Het was uiteindelijk VVD-minister Pais die met zijn nota "Hoger onderwijs voor velen' (en met de twee-fasenstructuur) de elite-universiteit definitief op de koers naar eenmassa-universiteit zette. Over externe democratisering sprak ook Pais echter niet, alsof dat een onverbrekelijk aan massaficatie verbonden effect zou zijn.

Dat laatste is volgens Koppen een misvatting, zoals ook studiefinanciering aan externe democratisering, anders dan ministers en studenten-organisaties willen doen geloven, niets toe of af doet. De invoering in 1986 van het in internationaal perspectief bezien riante stelsel heeft niet geleid tot een grotere externe democratisering van de universiteiten. Als bij de zoveelste bezuiniging op studiefinanciering wordt gezegd dat studeren weer "voor de rijken' wordt, is dat dus een vertekening van de werkelijkheid.

In zijn proefschrift draagt Koppen weinig empirisch materiaal aan ter ondersteuning van zijn betoog. Dat is niet verwonderlijk: er is slechts sporadisch langer lopend onderzoek naar studieloopbanen gedaan. Bovendien is lang niet alle beschikbare materiaal betrouwbaar en worden de begrippen sterk uiteenlopend gedefinieerd. Koppen baseert zich gedeeltelijk op onderzoek dat onder leiding van zijn collega U. de Jong aan het Centrum voor Onderwijsonderzoek (SCO) is gedaan onder studenten die in 1982 en 1986 met hun studie zijn begonnen. Daaruit blijkt onder meer dat studenten uit lagere sociale milieus vaker aan een hogeschool dan aan een universiteit gaan studeren, behalve bij de kunstopleidingen, waar het gemiddelde opleidingsniveau van de ouders zelfs hoger is dan dat van ouders van universitaire studenten. De verklaring is dat een universitaire pendant van de kunstopleidingen ontbreekt.

Volgens Koppen kunnen universiteiten wel degelijk de externe democratisering vergroten. De spreiding van studenten over de verschillende studierichtingen borduurt in belangrijke mate voort op verschillen in ouderlijk milieu. Rechten en geneeskunde zijn de favoriete studierichtingen van studenten uit hogere sociale milieus: een meerderheid van de studenten heeft zelfs ouders die ook rechten of medicijnen hebben gestudeerd.

Het zijn dan ook twee studierichtingen met een duidelijke eigen cultuur, waar de docenten in het algemeen uit hogere sociale milieus afkomstig zijn en waar studenten uit die kringen de codes en mores beter kennen dan studenten die deze niet van huis uit hebben meegekregen. Daardoor vallen studenten uit de lagere sociale milieus die voor rechten of medicijnen hebben gekozen vaker uit dan de andere studenten, meent Koppen.

Ook zijn rechten en medicijnen minder toegankelijk dan andere studierichtingen door de sociale status die is verbonden aan de beroepen waartoe zij opleiden en die, aldus Koppen, veel wellicht getalenteerde studenten ervan weerhoudt de studie te kiezen. ""Ze zien deze studierichtingen als basis voor beroepen die voor hen niet bereikbaar zijn.''

Maar ook letteren en sociale wetenschappen, die op de sociale ladder minder hoog scoren en vaker door studenten uit lagere inkomensgroepen worden gekozen, zijn voor hen niet echt vriendelijk. Vooral bij letteren merken deze studenten vaak dat een zekere vertrouwdheid met cultuur nuttig zou zijn.

Resten de exacte vakken, die weliswaar aan de onderkant van de sociale statusladder vertoeven, maar waarvan bijvoorbeeld de natuurwetenschappen bovenaan staan als het gaat om de wetenschappelijke status van studierichtingen. Het zijn net als grote delen van de psychologie wetenschapsgebieden waar, in de omschrijving van Koppen, het paradigma-gehalte hoog is, de kennis sterk geobjectiveerd en de persoonlijke opvatting van de onderzoeker niet erg relevant. Onderzoek wordt verricht in teamverband (practica) en regelmatig contact tussen docenten en studenten en tussen studenten onderling zijn gemeengoed. Dit zijn de studierichtingen waar de selectie minder op sociale normen en meer op begaafdheid is gebaseerd. De natuurwetenschappen tellen relatief de meeste studenten (en docenten) uit lagere inkomensgroepen: ongeveer drie keer zoveel als bij geneeskunde en rechten.

Kinine meenemen

In noot 77 bij zijn proefschrift beschrijft Koppen de eisen die de beroemde Britse antropoloog Evans-Pritchard in zijn colleges formuleerde voor succesvol veldwerk: de antropoloog moet beschikken over intuïtieve krachten, moet zichzelf kunnen vergeten, moet de liefde voor het wetenschappelijke werk combineren met de verbeelding van de artiest en moet beschikken over literaire kwaliteiten. Maar toen een student vlak voor zijn vertrek naar een veldpost bij Evans-Pritchard aanklopte om raad, kreeg hij te horen dat het voor een succesvolle opdracht nodig is ""kinine mee te nemen, de oren open te houden en van de vrouwen af te blijven''. Dat was een advies waar de student mee uit de voeten kon, en waarmee hij werd ingewijd in wat Koppen "verzwegen kennis' noemt.

De sociale status van menig studierichting wordt volgens Koppen bepaald door de aanwezigheid van deze "verzwegen kennis'. ""Bij die studierichtingen gaat het niet alleen om het verwerven van kennis uit boekjes, maar ook om het vermogen deze kennis op een goede manier in te zetten, namelijk op de manier die van een academicus wordt verwacht. In ruil daarvoor krijgt de academicus status.''

Koppen noemt dat ""samenstel van dingen die je moet leren'' competentie. Volgens hem hebben studenten met ouders die niet zelf hebben gestudeerd veel meer moeite dan andere om competentie te verwerven. Ze hebben daar vooral mee te kampen in studierichtingen waar de relatie tussen student en docent niet hecht is. In de exacte vakken, met hun practica en veelvuldige onderlinge contacten, speelt de verzwegen kennis nauwelijks een rol, constateert Koppen - waarmee tevens de lage plaats van de exacte vakken op de sociale ladder voor een deel is verklaard.

De universiteiten hebben tot taak, aldus Koppen, door hun onderwijs studenten tot competentie te laten komen, hen te leren kennis en vaardigheden te verwerven, en het vermogen die op de goede manier in te zetten. Zij zouden er daarom naar moeten streven "competent onderwijs' aan te bieden, dat wil zeggen: proberen studenten zo ver te brengen als hun capaciteiten dat toelaten. Dan is een grote variëteit aan studenten geen last maar een uitdaging. ""Maar de universiteiten doen nog steeds alsof de huidige studentenpopulatie dezelfde is als die van vijftig jaar geleden, alsof de huidige instroom niet veel diverser is.''

Volgens Koppen wordt vooral in de traditionele, sociaal min of meer gesloten studierichtingen als rechten en medicijnen nauwelijks rekening gehouden met de grote variatie aan studenten, en met hun wens binnen de studie keuzes te maken. ""De keuzevrijheid in een studie lijkt omgekeerd evenredig te zijn met sociale segregatie.'' Bij rechten valt er voor de student betrekkelijk weinig te kiezen, bij de sociale wetenschappen is de keuzevrijheid al aanzienlijk groter, maar in de natuurwetenschappen kan de student kiezen uit een baaierd van vele tientallen varianten.

Grotere keuzevrijheid voor de student, versterking van de band tussen docent en student, het openbreken van de strakke en traditionele grenzen tussen de disciplines, differentiatie bij de studie-opbouw en modularisering: het kan allemaal helpen de universiteit beter toegankelijk te maken. Bovenal, meent Koppen, zullen de universiteiten moeten stoppen de student als een produkt van het onderwijs te beschouwen in plaats van als een (kritische) consument. Zo lang dat laatste niet gebeurt zal het universitaire onderwijs het karakter van een sociale sorteermachine houden.

Dat er aan de externe democratisering van universiteiten iets moet worden gedaan, staat voor Koppen als een paal boven water: internationaal bezien slaat Nederland een beroerd figuur. ""Van de geïndustrialiseerde landen heeft ons land bijna het laagste percentage studenten uit lagere inkomensgroepen.'' Bovendien: als in de volgende eeuw de behoefte aan hoger opgeleiden oploopt tot 35 procent van elke leeftijdsgroep, kan Nederland het zich niet permitteren zoveel potentieel talent verloren te laten gaan.

Toch is volgens Koppen streven naar een preciese weerspiegeling van de bevolkingsopbouw in de samenstelling van de studentenpopulatie ""een illusie''. ""Er bestaat hoogstwaarschijnlijk een verband tussen de positie van een grote groep onderaan de maatschappelijke ladder en de begaafdheid van die groep. Maar tegelijk is bekend dat daar meer talent aanwezig is dan vaak wordt aangenomen. En dat talent hoort een reële kans op hoger onderwijs te krijgen.''

J.K. Koppen, Een kwestie van discipline. Over de externe democratisering van het wetenschappelijk onderwijs. Uitgeverij Thesis, 1991.

U. de Jong e.a., Snelwegen en slingerpaden in en om het hoger onderwijs. Eindrapport project Studieloopbanen in het hoger onderwijs. Distributiecentrum Overheidspublikaties.