De grootte van samenlevingen en het geloof in moraliserende goden

Bij dieren die in groepen leven, lijken twee factoren veel invloed te hebben op de minimum-grootte van de groepen. Dat zijn de kracht en de snelheid van het prooidier, die het noodzakelijk kunnen maken om in groepsverband te jagen, en de dreiging van roofdieren, die tot een gezamenlijke verdediging kunnen nopen.

Groepen waarvan het aantal leden ver boven deze minimum-grootte uitsteekt, tenderen ernaar als gevolg van interne conflicten uiteen te vallen. De verdeling van de buit leidt bijvoorbeeld tot onderlinge agressie, maar vooral de concurrentie om de vruchtbare vrouwtjes is verantwoordelijk voor conflicten binnen een groep.

Mensen kunnen groepen vormen die groter zijn dan die van welke andere diersoort ook. Er zijn menselijke groepen of samenlevingen die bestaan uit honderden, duizenden, miljoenen en zelfs honderden miljoenen leden. Maar er is geen prooidier of roofdier denkbaar dat zo formidabel is dat de mensen erdoor genoodzaakt zouden zijn om zich tot groepen van een dergelijke omvang te organiseren. Men zou eerder verwachten dat, als gevolg van bijvoorbeeld de uitvinding van steeds doeltreffender wapens, bij mensen met het verloop van de tijd zich een voortdurend kleinere groepsgrootte evolueerde.

Verschillende sociobiologen hebben uit deze paradox de conclusie getrokken dat mensen, waarschijnlijk vanaf hun ontstaan als soort, zich tot steeds grotere groepen organiseerden om zich te kunnen verdedigen tegen andere groepen mensen. In deze visie op de geschiedenis van de mensheid is de concurrentie tussen onderling vijandige groepen mensen van dominerende invloed geweest op de eigenschappen en sociale organisatie van de huidige mens. De concurrentie tussen samenlevingen om vruchtbare en rijke gebieden op aarde gaat tot de dag van vandaag door, men denke bijvoorbeeld aan het begerige oog dat Saddam Hussein op Koeweit liet vallen.

Met een toename van de grootte van een samenleving, neemt ook de kans op interne conflicten toe. Hoe kunnen dergelijke conflicten, die het uiteenvallen van een groep tot gevolg kunnen hebben, vermeden worden? Misschien dat moraal hierbij een grote rol speelt. Gedragingen die voor conflicten binnen een groep kunnen zorgen, zoals bijvoorbeeld moord en diefstal, worden afgekeurd, en degenen die deze moraal overtreden, moeten rekening houden met de afkeuring en de sancties van andere groepsleden.

Maar morele regels zijn vaak moeilijk te rechtvaardigen en uit te leggen, waardoor ze een willikeurige indruk kunnen maken. Wanneer iemand wiens vrouw begeerd wordt door een andere man als gedragsregel het "Gij zult niet begeren uws naasten vrouw' voorstelt, dan kan allicht het idee van een partijdig belang bij deze regel ontstaan. Hetzelfde geldt voor de bestolene die het "Gij zult niet stelen' als norm suggereert. De strekking van het voorgaande was echter dat in grote groepen, met het oog op het voorkomen van conflicten, er een algemeen belang bij dergelijke gedragsregels kan bestaan. Een bovennatuurlijke, hogere en onpartijdige macht is een goede vertolker van normen die een gemeenschappelijke belang dienen binnen een groep. Omdat grotere groepen meer bedreigd worden door interne conflicten dan kleinere, kan verwacht worden dat in grotere samenlevingen er meer behoefte is aan het optreden van moraliserende goden, dat wil zeggen goden die voorschrijven wat wel mag en wat niet.

De enkele jaren geleden overleden antropoloog George P. Murdock heeft in 1967 de Ethnographic Atlas gepubliceerd. In deze atlas, die in gecodeerde vorm het werk van een groot aantal antropologen representeert, worden meer dan achthonderd samenlevingen beschreven door de waarden van een tachtigtal variabelen op te sommen. Het betreft voor een groot deel de beschrijving van volkeren die lang geleden verdwenen zijn, of onder de invloed van het westen ingrijpend zijn veranderd.

Bij 372 samenlevingen wordt zowel een indicatie gegeven van de grootte van deze samenlevingen, als van het soort religie. De groottes van de samenlevingen variëren van 1 (klein) tot 8 (groot), en van de religie wordt aangegeven of de god of goden wel of niet moraliserend zijn. (Er bestaan immers ook volkeren die geen goden kennen, of alleen goden die de wereld hebben geschapen, maar zich verder afzijdig houden.) Wanneer de twee variabelen tegen elkaar afgezet worden, en percentages worden berekend, dan ontstaat de volgende grafiek:

(HIER GRAFIEK)

De kans dat bij dit grote aantal samenlevingen een dergelijke opgaande lijn louter door toeval zou ontstaan, is veel kleiner dan een-duizendste. Met andere woorden, in grotere samenlevingen wordt significant vaker een geloof in moraliserende goden aangetroffen.

De gevonden significantie betekent niet dat de verklaring juist is. Het is het bekende probleem van de ooievaars en de geboorten. Zelfs als er een significant verband tussen overvliegende ooievaars en geboorten aangetoond zou worden, dan betekent dat nog niet dat tussen het een en het ander een oorzakelijk verband bestaat.

Maar als een goddelijke moraal inderdaad vooral bestemd is om interne conflicten te dempen, dan volgt daaruit dat tegenover niet-groepsleden andere normen gelden. Hiervoor zijn verschillende aanwijzingen te vinden, bijvoorbeeld in de Bijbel. Het "Gij zult niet doodslaan' (Exodus 20 : 13, Deuteronomium 5 : 17) klinkt universeel, maar was blijkbaar alleen voor intern gebruik bestemd. Want God zelf gaf aan de Israëlieten opdracht om tegenover een naburig volk, de Midjanieten, het roer om te gooien. "De Here nu sprak tot Mozes: Behandelt de Midjanieten als vijanden en doodt hen, want zij hebben u vijandig behandeld...' (Numeri 25 : 16-18). Een duidelijk voorbeeld van een dubbele moraal.

In het tijdschrift voor Sociale Wetenschappen (Gent 1991, no. 4 en 1992, no. 1) verschijnen van F. Roes twee artikelen over bovenstaand onderwerp.