Advies om studie te stoppen zegt vrijwel niets

Studenten aan universiteiten en hogescholen die afkomstig zijn uit lagere inkomensgroepen tonen meer inzet dan hun collega's die het van huisuit wat royaler hebben. Dat is een van de conclusies uit het onderzoek naar "studieloopbanen' van het Centrum voor Onderwijsonderzoek (SCO).

Het SCOvan de Universiteit van Amsterdam heeft gekeken naar studenten die in 1982 en 1986 met hun studie zijn begonnen, en naar degenen die in 1987 zijn afgestudeerd. Onduidelijk blijft overigens of die grotere inzet ook tot betere studieresultaten leidt.

HBO-studenten aan hogescholen (die vaker dan universitaire studenten afkomstig zijn uit lagere sociale milieus) beginnen vaker aan hun studie met de intentie om propaedeuse en einddiploma te halen. Meer dan 90 procent van de HBO-studenten "weten' aan het begin van hun studie zeker dat ze de propaedeuse zullen halen, tegen 85 procent van de universitaire studenten.

Niet meer dan zo'n 60 procent van de studenten krijgt aan het einde van het eerste jaar het wettelijk voorgeschreven studie-advies. Aan de universiteiten kreeg bijna twaalf procent van de eerstejaars het advies te stoppen met de studie waaraan ze waren begonnen. Dat percentage verschilt overigens nogal per studierichting: van twee procent bij Nederlands tot bijna 29 bij elektrotechniek.

Aan de hogescholen kreeg vijf procent een negatief advies: daar steekt de laboratoriumopleiding er met elf procent stevig bovenuit, terwijl juist bij elektrotechniek dat percentage lager dan één is.

Een meerderheid van de studenten met een negatief advies volgt dat op: stopt helemaal met studeren of probeert het elders aan universiteit of hogeschool. Maar een groot deel van de studenten die het advies aan hun laars lapten en toch doorgingen, blijkt achteraf gelijk te hebben gehad: van de 44 procent universitaire studenten die het negatieve studie-advies niet opvolgden, heeft 94 procent toch de propaedeuse gehaald. Dat deden ook 97 procent van de studenten met een positief advies en 93 procent van de eerstejaars die geen advies kregen. Nauwelijks een verschil dus.

Helemaal vreemd is die uitkomst niet: bijna eenderde van de universitaire eerstejaars (en 19 procent van die aan de hogescholen) begon aan de studie met de bedoeling langer dan een jaar over de propaedeuse te doen.

De onderzoekers waarschuwen ervoor te veel voorspellende waarde aan studie-adviezen te hechten: de betrouwbaarheid ervan blijkt nogal gering te zijn. Ook werden de onderzoekers in hun onderzoek belemmerd door de onbetrouwbaarheid van de gegevens die universiteiten en hogescholen hun leverden. De kwaliteit van de studentenadministraties laat veel te wensen over: die zal eerst verbeterd moeten worden wil een betrouwbare registratie van de studievoortgang mogelijk zijn.