Verwarring alom voor particulier verzekerden

DEN HAAG, 8 JAN. De verschuivingen in de ziektekostenpremies duizelen met name de particulier verzekerden. De ziekenfondspremie ging per 1 januari omlaag, terwijl particulier verzekerden in toenemende mate met premieverhogingen te maken krijgen.

Twee zaken lopen door elkaar. Als onderdeel van het plan-Simons (één basisverzekering tegen ziektekosten voor iedereen in 1995) worden de geneesmiddelen sinds 1 januari niet langer door de particuliere ziektekostenverzekeraars vergoed. Verzekeraars maken daardoor volgens gegevens van het ministerie van WVC 15 procent minder kosten. De maatschappijpremie kan dus omlaag, zoals ook bij de ziekenfondsen is gebeurd, aldus WVC. Iedereen is sinds 1 januari tegen de kosten van medicijnen verzekerd en betaalt daarvoor een niet-inkomensafhankelijke AWBZ-premie.

Anderzijds zijn er de forse kostenstijgingen in de gezondheidszorg waarmee de particuliere verzekeraars worden geconfronteerd. Over 1991 was er volgens voorlopige berekeningen een kostenstijging van 10 procent, dit jaar verwachten de verzekeraars een toename van de kosten met 5 procent. In totaal 15 procent over een periode van twee jaar. Aangezien de kosten voor verzekeraars met 15 procent dalen doordat ze geneesmiddelen niet meer hoeven te vergoeden, hebben veel verzekeraars de premie constant gehouden. De verzekeraars die hun maatschappijpremie hebben verhoogd, soms met meer dan 5 procent, voorzien dus dat de in 1991 gemaakte en voor dit jaar verwachte kosten hoger uitvallen dan de meevaller die het niet langer vergoeden van geneesmiddelen met zich meebrengt. Als blijkt dat de kosten in de gezondheidszorg in het vierde kwartaal van 1991 zeer fors zijn gestegen - en daar ziet het volgens de verzekeraars naar uit - gaan premies per 1 april alsnog omhoog.

Pag.2:

Ziektepremie ter discussie

Nog deze week zal het KLOZ een nadere onderbouwing van het premiebeleid geven. Op korte termijn gaan staatssecretaris Simons en het KLOZ met elkaar om de tafel om deze gegevens te bespreken.

Het treffen van een prijsmaatregel, waarvan met name het Tweede-Kamerlid Van Otterloo (PvdA) voorstander is, is niet eenvoudig. Voordat een minister of staatssecretaris een prijsmaatregel kan treffen, moet aangetoond zijn dat premies ten onrechte niet zijn verlaagd.

De twee instrumenten die in principe ter beschikking staan, zijn de Prijzenwet en de Wet Economische Mededinging. Tot 1983 werd van de Prijzenwet veelvuldig gebruik gemaakt, vooral bij inflatiebestrijding. Na 1983 werd nog slechts één keer een prijsmaatregel getroffen op basis van de Prijzenwet. Dat gebeurde in 1986, toen de particuliere verzekeraars een maximale premiestijging van 3 procent werd opgelegd. De maatregel gold voor een jaar en werd in 1987 en 1988 ruimschoots door de verzekeraars gecompenseerd.

Bij de Raad van State is door het kabinet een wijziging van de Prijzenwet aanhangig gemaakt, waartegen in de Tweede Kamer voor zover bekend geen politieke bezwaren zijn. Als deze wijziging wordt aangenomen, zijn prijsbeschikkingen onmogelijk. Maar zover is het nog niet, onderstreept Van Otterloo.

Ook de Wet Economische Mededinging biedt de mogelijkheid om de premies te verlagen, maar dan moet worden aangetoond dat de verzekeraars afspraken met elkaar hebben gemaakt over de premiewijzigingen.