Slapend meer pensioen

Voor de groep slapers in pensioenregelingen is er reden om het jaar 1992 feestelijk in te gaan. Dankzij een wijziging van de Pensioen- en Spaarfondsenwet (PSW) hebben zij sedert 1 januari jl. al slapend recht op verhoging van hun pensioenrechten. Voorwaarde is wél dat de gepensioneerden in dezelfde pensioenregeling een verhoging van hun pensioenen krijgen.

Een slaper is een werknemer die bij een bedrijf heeft gewerkt, daar deelnam in een pensioenfonds of een collectieve pensioenverzekering, en bij zijn ontslag (voor de pensioendatum) een premievrij recht op pensioen heeft gekregen. Het gaat om een grote groep, want er zijn in Nederland zo'n 4,5 miljoen slapers, waarbij dubbeltellingen voorkomen: een werknemer kan immers uit meer dan één pensioenregeling slaper zijn.

Voor slapers blijft het gespaarde pensioenkapitaal achter bij het pensioenfonds of de verzekeringsmaatschappij. Met dit kapitaal wordt op de pensioendatum het pensioen betaald. Tijdens de slapersperiode - de periode dus vanaf het ontslag tot de pensioendatum - worden de premievrije rechten lang niet altijd geïndexeerd. Het premievrije recht is dan niet waarde- of welvaartsvast, doch in tegendeel bevroren op een nominaal bedrag. Daardoor zal de koopkracht van het premievrije recht in tijden van inflatie aanzienlijk in waarde dalen.

Vooral werknemers die een paar maal van baan zijn gewisseld en zo een aantal bevroren pensioenrechten hebben, kunnen op het moment dat zij van hun oude dag willen gaan genieten voor onaangename verrassingen komen te staan. Zij zien zich geplaatst voor een enorme pensioenbreuk die op dat moment niet meer is te repareren.

Dit probleem bestaat overigens niet voor ex-ambtenaren die premievrije pensioenrechten tegenover het Algemeen burgerlijk pensioenfonds hebben, want het ABP is wettelijk verplicht de rechten van slapers te verhogen overeenkomstig de salarisontwikkeling van ambtenaren. Ook werknemers in het bedrijfsleven hebben krachtens het pensioenreglement of een CAO in sommige gevallen recht op een verhoging van hun premievrije rechten.

Is het terecht dat het tot ontslag opgebouwde pensioen wordt bevroren en dus niet geïndexeerd? Misschien wel als men oordeelt dat slechts werknemers die veertig jaar trouw bij dezelfde werkgever blijven hiervoor moeten worden beloond. Dit standpunt is in de huidige maatschappelijke verhoudingen met toegenomen arbeidsmobiliteit echter niet meer vol te houden. In Duitsland heeft het Arbeidsgerecht al in 1973 beslist dat het bevriezen van premievrije pensioenrechten niet terecht is, in een geval dat de kosten van levensonderhoud met meer dan veertig procent waren gestegen. Daarbij kan in aanmerking worden genomen dat het redelijk is dat een deel van de beleggingsopbrengsten over het kapitaal dat achterblijft bij het pensioenfonds, wordt toegeschoven aan de slaper nu deze daar zelf aan mee heeft betaald.

Vanaf 1 januari 1992 is in Nederland de wet "Gelijke behandeling van slapers en gepensioneerden' van toepassing. Dit betreft de al genoemde wijziging van de PSW, op grond waarvan slapers recht hebben op verhoging van hun premievrije rechten indien de pensioenen van de gepensioneerden worden verhoogd. De PSW verplicht een werkgever of pensioenfonds niet om ingegane pensioenen of slapende rechten te verhogen en evenmin is een minimumpercentage van indexering in de wet vastgelegd. Het gaat er slechts om dat indien eenmaal gepensioneerden een verhoging van hun pensioenen krijgen, ook de slapersrechten worden verhoogd. Toch is de materiële betekenis hiervan groot, omdat de meeste pensioenregelingen de ingegane pensioenen regelmatig verhogen.

De slapers hebben recht op verhoging van hun rechten voor zover vanaf 1 januari feitelijk toeslagen aan gepensioneerden worden verleend. Maar dan moeten ook alle oude slapersrechten een verhoging krijgen, ook wanneer premievrije rechten vóór 1 januari 1992 zijn ontstaan. Voor iedereen die nog oude slapersrechten heeft uit een reeds in een ver verleden geëindigde dienstbetrekking, kan de nieuwe regeling in de PSW dan ook van belang zijn en mischien nog wat van de destijds opgelopen pensioenbreuk helen.

Misschien verklaart dat waarom vertegenwoordigers van het Vrijwillig Filiaalbedrijf (VFB) zich altijd nogal laatdunkend hebben uitgelaten over franchising. Dat was iets voor pseudo-ondernemers en veredelde filiaalchefs. Bij de oprichting van de Hubo was er door een van de grossiers een protestvergadering voor de winkeliers belegd. Hij waarschuwde dat zij hun vrijheid en zelfstandigheid zouden verliezen. Dergelijke geluiden worden nog steeds gehoord, maar die kritiek is niet terecht, vindt Bezemer. “Franchising is nog altijd een heel vies woord voor mensen uit het VFB. Maar binnen een aantal ketens is er een grote vrijheid om creatief met de markt om te gaan. Franchise-nemers zijn zeker niet de kneusjes onder de ondernemers.”