Pleidooi tegen "inteelt' van wetenschappelijk personeel

ROTTERDAM, 8 JAN. Wetenschappelijk personeel aan een universiteit moet in eerste instantie voor niet langer dan tien jaar worden aangesteld. Zij van wie aan het einde van de eerste aanstelling niet wordt verwacht dat ze geschikt zullen zijn om hoogleraar of hoofddocent te worden, moeten vertrekken.

Dat heeft de voorzitter van het college van bestuur van de Twentse universiteit, C. van Lookeren-Campagne, gezegd in zijn nieuwjaarsrede. De universiteiten dienen volgens de voorzitter de betrokkenen wel te helpen bij hun overstap naar een andere loopbaan.

Universiteiten zouden voorts, om "inteelt' te voorkomen, moeten afspreken om medewerkers die een vaste baan hebben aan een universiteit nooit aan diezelfde universiteit tot hoogleraar te benoemen. “De mogelijkheid bestaat natuurlijk dat het toekomstige genie naast ons aan de laboratorium-tafel staat, maar de kans daarop is maar zeer klein”, aldus Van Lookeren-Campagne. “De kans op wetenschappelijke inteelt is vele malen groter en dat is een ernstige bedreiging voor de excellentie waar een universiteit op straffe van verzinken in onbenul naar hoort te streven.” De collegevoorzitter wil af van de ook door hem met de vakbonden gemaakte afspraak dat bij de bezetting van hogere functies zoveel mogelijk wordt gekozen uit het eigen personeel.

Van Lookeren-Campagne pleit voor een aan universitaire omstandigheden aangepast carrièrebeleid voor het wetenschappelijke personeel. De huidige ambtelijke regelingen, waarbij iemand na zijn aanstelling op jonge leeftijd er vrijwel zeker van kan zijn dat hij in die baan zijn pensioen zal halen, zijn volgens Van Lookeren-Campagne wellicht geschikt voor departementen, voor universiteiten zijn zij “rampzalig”.

Door deze “vaste aanstellingen voor het leven” hebben de universiteiten nauwelijks ruimte voor het aantrekken van jong talent. Creatieve en talentvolle mensen moeten worden afgewezen ter wille van medewerkers “bij wie de vlam van de wetenschappelijke creativiteit op spaarbrander staat maar die wel het recht hebben op een voortgang van hun carrière tot ook zij 65 zijn en “met pensioen kunnen”.

Van Lookeren-Campagne meent dat een eerste aanstelling van de wetenschappelijke staf van tien jaar en vervolgens tot het pensioen zal leiden tot aanzienlijke kwaliteitsverhoging van onderwijs en onderzoek en daardoor tot een betere concurrentiepositie van de universiteiten.

De universiteiten en hogescholen onderhandelen al geruime tijd met minister Ritzen (onderwijs) over ruimte voor een meer op het hoger onderwijs afgestemd personeelsbeleid. De hogescholen hebben al een eigen werkgeversorganisatie opgericht die met de vakbonden over de arbeidsvoorwaarden onderhandelt. Bij de universiteiten wordt daaraan gewerkt. Volgens een woordvoerder van de Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten kunnen de opvattingen van Van Lookeren-Campagne te zijner tijd in het overleg met de bonden worden besproken. Zij wijst erop dat op dit moment de bonden juist proberen het aantal tijdelijke aanstellingen aan de universiteiten te verminderen.