Onze defensie-inspanning had tot voor kort de charme van de eenvoud; Beroepsoriëntatie militairen verandert

“Kunnen omgaan met onzekere gebeurtenissen. Ongewone oplossingen weten te bedenken voor ongewone situaties waar geen draaiboeken voor bestaan. Over de grenzen van het eigen krijgsmachtdeel heen kunnen kijken. Maatwerk kunnen afleveren binnen kleine politieke marges.” De hoogste politieke en militaire leiding van Defensie noemde dit onlangs op een studiedag als belangrijkste eisen waaraan de officier van onze krijgsmacht "nieuwe stijl' moet voldoen.

Niet te ontkennen is dat het einde van de Koude Oorlog ook gevolgen zal hebben voor de beroepsoriëntatie van de Nederlandse militair. Gezien de grote aandacht die het afgelopen jaar vooral uitging naar de bezuinigingen op defensie en de herstructurering en verkleining van onze krijgsmacht, wordt het belang van dit aspect van de veranderende veiligheidssituatie wel eens uit het oog verloren. Want hoe was de situatie ook al weer tot voor kort?

Globaal gezien had het overgrote deel van onze defensie-inspanning de charme van de eenvoud. Grotendeels geïntegreerd in de militaire structuur van de NAVO en toegesneden op een grootschalig offensief vanuit het Oosten had elk krijgsmachtdeel zijn eigen hoofdtaak. De kern van de landmacht, het eerste legerkorps, was belast met de verdediging van een speciaal vak in de Noordduitse laagvlakte, de luchtmacht leverde een bijdrage aan de verdediging van het luchtruim boven Centraal-Europa en de marine beveiligde de Atlantische scheepvaartroutes.

Met het wegvallen van de dreiging uit het Oosten spreken we nu echter over veiligheidsrisico's en militaire middelen die aan de inmiddels overbekende eisen van mobiliteit, flexibiliteit en multifunctionaliteit moeten voldoen. Een grootschalige oorlog blijft echter nog steeds mogelijk zoals het conflict rondom Koeweit ons het afgelopen jaar heeft geleerd. Een belangrijke les van deze oorlog is dat voor dit type traditionele conflict niet-lineaire oorlogvoering de toekomst heeft. Kenmerkend hiervoor zullen zijn kleine, zich snel verplaatsende, meer onafhankelijke eenheden die rond het slagveld manoeuvreren, zich tijdelijk concentreren voor het aanvallen van vijandelijke eenheden, en dan zich weer snel verspreiden in kleine, voor precisiewapens minder kwetsbare eenheden.

Voor de militaire professie betekent dit een verregaande delegatie van bevoegdheden. Dit type oorlog zal echter meer uitzondering dan regel zijn. Meer waarschijnlijk zijn de zogeheten low-intensity conflicts (LIC's) die zich al jarenlang in velerlei variëteiten voordoen. Peace-keeping, peace-making, terreurbestrijding en humanitaire assistentie zijn hier voorbeelden van. In tegenstelling tot bij de traditionele conventionele oorlog ligt het zwaartepunt hierin niet bij de strijdkrachten van de tegenstander, maar in de politiek-sociale omgeving van de inheemse bevolking. Anders gezegd: het conventionele, het traditionele en het verwachtbare vallen buiten de context waarbinnen dit type onconventionele oorlog zich afspeelt.

Traditionele grondbeginselen van oorlogvoering zoals verrassing, offensief en concentratie zijn in het LIC dan ook niet van toepassing. In dit type conflict dient de militair echter over de vaardigheid en de bereidheid te beschikken om bestaande structuren en methoden (doctrine, tactiek, procedure, organisatie, enzovoorts) te veranderen of aan te passen om zo op adequate wijze verschillende situaties tegemoet te treden. Militaire beslissingen op ieder niveau worden bepaald door politieke doelstellingen. Met onderscheid gebruik maken van geweld, een ander beginsel, houdt in dat de strijdkrachten die bestemd zijn voor een bepaalde missie uiterst zorgvuldig worden geselecteerd en ingezet.

Kortom, de nieuwe militaire professional moet binnen stricte politieke randvoorwaarden een antwoord gereed hebben op de politiek-sociale dimensie van de moderne oorlog in al zijn verschijningsvormen. Is hier nu niet sprake van een nieuwe militaire professionele waakzaamheid met de bekende overschatting van allerlei bedreigingen? Integendeel, want in feite is slechts sprake van de voortzetting van een door de toenemende internationalisering van het veiligheidsbeleid reeds in de jaren tachtig ingezette trend. Nationale en internationale veiligheid zijn immers steeds minder te scheiden.

De voormalige preoccupatie met de dreiging uit het Oosten was waarschijnlijk de reden dat velen in de jaren tachtig weinig oog hadden voor het feit dat ook toen al de Nederlandse krijgsmacht zich bewoog op het gebied wat thans van het etiket LIC is voorzien. Genoemd kunnen worden de deelname aan UNIFIL (1980-1985), onze bijdrage aan de multinationale vredesmacht (MFO) in de Sinaï sinds 1982, de mijnenveegoperaties in de Rode Zee/ Golf van Suez in 1984, de beveiliging van zeeverbindingen tijdens de eerste Golf-oorlog in 1988 en de bijdrage aan de VN-vredesmacht in Namibië in 1989.

Steeds actueler voor de militaire professie wordt wat president Kennedy reeds in 1962 in een toespraak tot de afgestudeerden van West Point zei. “U zult indringend geconfronteerd worden met niet-militaire problemen van diplomatieke, politieke en economische aard. Ongeacht uw positie, zal de reikwijdte van uw beslissingen uitgaan boven de traditionele militaire competentie en opleiding. U zult niet alleen de buitenlandse politiek van de Verenigde Staten moeten kennen en begrijpen, maar de buitenlandse politiek van landen overal ter wereld, waarvan we twintig jaar geleden nauwelijks de namen kenden. U zult orders moeten geven in diverse talen en kaarten moeten lezen in diverse omstandigheden.” Mutatis mutandis zijn deze woorden ook van toepassing op de Nederlandse militaire professie in de jaren negentig.