Langs lijnen van gelijkheid

Een slimme meid is op haar toekomst voorbereid en wat slim is weet de overheid.

Als het belang van een probleem mag worden afgemeten aan het aantal Postbus 51-mededelingen dat de overheid ervoor overheeft, dan staat emancipatie bovenaan. Uitgedrukt in zendtijd emanciperen we tegen de klippen op. Zo bestaan er maar liefst vier varianten op één simpel thema over werkende vrouwen.

In de eerste zien we een droom van een keuken, vol peperdure roestvrijstalen design-attributen. In de tweede wordt ons een uitgebreid assortiment fancy magazines voorgehouden, in de derde een strak betegelde kleedruimte, en in de vierde het gezellige straatbeeld van een uitgaanscentrum rond middernacht. Het is zoals de Nederlander zich het leven voorstelt: een goed ingericht huis, mooie spulletjes, de boel keurig aan kant, en op z'n tijd gezellig het café in.

Alles kits, zou men zo zeggen. Maar de commentaarstem strooit zand in de geoliede lekker-leven-machine: “vrouwen staan niet meer alleen àchter het aanrecht, ze zitten er ook ònder”, “vrouwenbladen worden niet alleen meer vóór vrouwen gedrukt maar ook dóór vrouwen”, “een vrouw maakt zich niet meer alleen druk om de voorwas maar ook om een mooie hoeklas” en “de komende jaren wordt nog best eens gevochten om een vrouw, alleen dan doet ze wèl zelf mee.” Er worden beelden bij vertoond waarvan je niet weet of je er vrolijk of ongelukkig van moet worden. Onder het design-aanrecht zit een meisje in overall aan een verstopte leiding te klooien. In de drukkerij van glossies staat een vrouw met oorbeschermers naast een kabaalmachine, in een smederij probeert er één te voorkomen dat ze lasogen oploopt, en op de stoep van het café neemt een vrouwelijke agent een aangeschoten herrieschopper in de houdgreep. “Vrouwen gezocht voor "mannenwerk'; kies eens wat anders.” Je moet er maar trek in hebben.

Tegen deze gesubsidieerde oproepen om vrouwen te laten opdraaien voor rottige karweitjes is geen spoor van protest ontstaan. Integendeel: het wordt opgevat als een bemoedigende stap voorwaarts op de lange weg naar ons emancipatie-ideaal. Vergeleken bij andere Europese landen nemen in Nederland weinig vrouwen deel aan het arbeidsproces. Dat wordt door ons als een nadeel gezien, en dus moedigen we meisjes aan om dóór te leren. Met succes, want inmiddels zijn 46 procent van de HBO'ers en 40 procent van de universitaire studenten vrouwen. Het ideaal van fifty-fifty ligt in het verschiet, maar het utopia van de gelijkheid is daarmee nog niet bereikt: de meisjes studeren Frans, pedagogie en paramedische vakken, en de jongens verdiepen zich in elektrotechniek, werktuigbouw en informatica. Ook dat wordt als een nadeel gezien, en dus moedigen we meisjes aan om "exact te kiezen' en zich te wagen aan "mannenwerk', zonder dat we ons afvragen wie we daar een plezier mee doen. Het gaat vooral om het idee. Volgens de Amerikanen White en Boucke “mogen de Hollanders zich graag inzetten voor de goede zaak”, waarbij de vrouwenemancipatie “misschien wel het meest extreme voorbeeld” is: “de identificatie met de vrouwenstrijd is een gestandaardiseerde obsessie van de moderne Hollander”, man of vrouw. Wie maar een spoor van twijfel toont aan de leerstellingen van deze beweging, is een seksist. Hetgeen bijna synoniem is aan fascist. De emancipatiegedachte is in Nederland niet zomaar een obsessie, het is een heilig ideaal. De Postbus-51 spotjes "kies exact', "slimme meid' en "mannenwerk' attaqueren niet zozeer een concreet probleem, ze weerspiegelen een ethische opvatting die bij vrijwel het hele volk leeft. Ernest Zahn: “In Nederland betekent emancipatie het zich bewust worden van het inhumane, verderfelijke karakter van de maatschappij en het zich ontworstelen aan de ingebouwde onvrijheden daarvan. Volgens deze ideologie zijn wij allen onderdrukt en onvrij in die zin, dat het keurslijf van de maatschappelijke structuren ons verhindert onze ware bestemming te vinden.” Niet alleen de kwetsbaren, maar zelfs de bestuurders wanen zich in een jungle van onrecht, waarin alleen orde kan worden geschapen langs lijnen van gelijkheid. Wat Von der Dunk "het Nederlandse gelijkheidsethos' noemt.

De drang om gelijk te maken wat van nature ongelijk is, leidt tot een ongekende activiteit aan het emancipatiefront. White en Boucke: “De moderne Hollandse vrouwen zijn hun genetische karakteristieken dermate toegedaan dat ze het vrouw-zijn verheffen tot het hoogst bereikbare. Zij zijn Vrouw. En dan pas mens.” Het lijkt een wat overtrokken attitude; al in de zestiende eeuw omschreef kardinaal d'Aragona de Hollandse vrouwen als “groot, fris en gezond, met een grote mate van vrijheid om als gelijken naast de man te staan”, en ook in de Portugese ogen van onze tijdgenoot Rentes de Carvalho is de Nederlandse vrouw niet bepaald een tweederangs burger: “In haar vindt het gezin zijn motor en ruggesteun, aangezien de man op haar veel van de verantwoordelijkheden afschuift die eigenlijk de zijne waren. Men ziet dan ook in kritieke situaties dat zij de snelste is in het nemen van beslissingen, beter opgewassen is tegen de omstandigheden, en in elk opzicht een capabeler indruk maakt.”

Moeten we deze parelen der natie onder het aanrecht of achter een lasapparaat jagen? Volgens antropologe Mieke de Waal zijn schoolmeisjes er niet voor te porren: in hun universum van leuke meisjes, sloompies en uitsloofsters behoort het type loodgietster tot de "manwijven'. En volgens hoogleraar Vrouwenstudies De Bruijn zijn “de vrouwen die het probeerden in de jaren zeventig en tachtig de supervrouwen die nu doodmoe zijn”. Zij snakken naar een rustige droomkeuken met dure roestvrijstalen design-attributen. De strijd op de werkvloer is toch niet altijd even leuk.

Waarom blijven we desondanks geduldig geld uitgeven aan vage tv-spotjes die een droombeeld verkopen dat we niet zullen (en misschien niet eens willen) bereiken? Omdat we behoefte hebben aan een collectieve mythe over een heilstaat waarin iedereen gelijk is. Verschillen kunnen we niet aanvaarden, en alles wat afwijkt van de egalitaire norm is ons een doorn in het oog. Waarom? Daarover bestaan twee hypothesen. Ofwel de Nederlander is zo door en door rechtvaardig dat hij niet kan leven met ongelijkheid, ofwel hij is bang voor reliëf. Het Hollandse landschap is plat, en ook het sociale landschap moet plat blijven, anders ontstaat er te veel verschil tussen de beteren en de minderen. En aan de Nederlander knaagt altijd de angst dat hij zal blijken te behoren tot de minderen. Onder hypothese één zijn de Postbus-51 spotjes zendingsberichten, onder hypothese twee zijn het anxiolytica, onderdrukkers van een collectieve angst.

De ene hypothese lijkt me waarschijnlijker dan de andere.

Illustratie Jack Prince