College in Engels goed voor studenten noch universiteit

ROTTERDAM, 8 JAN. Universiteiten noch studenten zijn er bij gebaat als wordt voorgeschreven, zoals minister Ritzen (onderwijs) wil, dat een deel van de colleges in een vreemde taal worden gegeven. Maar het is evenmin zinvol om in de wet vast te leggen dat Nederlands de voertaal is in het (hoger) onderwijs, zo meent de commissie Taalaspecten onderwijs in het advies dat zij vandaag aan Ritzen aanbiedt.

De commissie, onder leiding van de Leidse hoogleraar in de politieke theorieën en rechtsfilosofie dr. H.R. Van Gunsteren, werd in juli door Ritzen ingesteld. Zij zou uitsluitsel moeten geven in de discussie die begin 1990 ontstond door de mededeling van de minister dat aan de universiteiten waar dat nuttig zou kunnen zijn Engels als voertaal zou moeten worden ingevoerd. Die mededeling stuitte onder andere in het parlement op grote bezwaren. In de Tweede Kamer gingen stemmen op om in de wet vast te leggen dat in het hoger onderwijs Nederlands de voertaal zou moeten zijn.

In haar advies komt de commissie tot de conclusie dat het debat tot dusver nogal “oververhit en diffuus” is gevoerd. Daarin zijn de deelnemers het wel over een aantal algemene waarden eens, maar de verschillende vragen en niveaus worden onvoldoende uit elkaar gehouden. Overeenstemming is er volgens haar over de positie van het Nederlands als “de meest vanzelfsprekende taal in het dagelijkse sociale, politieke en economische verkeer”. Ook is het duidelijk dat Nederland de internationale aansluiting niet mag verliezen en dat de kwaliteit van het hoger onderwijs niet zo pover mag worden dat het onder een minimum-niveau zakt.

Die waarden worden niet bedreigd, meent de commissie. Er is volgens haar ook geen enkele aanleiding voor maatregelen om handhaving van die waarden te garanderen. Dat kan altijd nog als ze daadwerkelijk zouden worden bedreigd. Op dit moment zou het alleen maar leiden tot beleid dat niet wordt gedragen en daardoor op grote schaal zal worden ontdoken.

Als er daarnaast nog allerlei wensen zijn, zoals meer buitenlandse studenten aan Nederlandse universiteiten en hogescholen, dan kan de minister daarvoor beter op maat gesneden maatregelen nemen of dat overlaten aan de universiteiten en hogescholen zelf, meent de commissie. Zij zet overigens vraagtekens bij de door Ritzen bepleite internationalisering. In haar rapport wijst zij er op dat naarmate van de universiteiten een grotere bijdrage aan de economische ontwikkeling wordt verwacht, uitzonderingen daargelaten, juist het Nederlandse taalgebied een belangrijker referentiekader wordt.