Cabostoque

Aan het begin van dit jaar heeft, wat het EG-voorzitterschap betreft, Nederland aan Portugal de fakkel overgedragen, zoals dat heet. Een misschien wat te grandioze beeldspraak voor een functie die van een stoethaspel terechtkwam bij een brekebeen.

Twee kleine landjes, wat weten ze van elkaar, wat begrijpen ze van elkaar? Je zou met zoveel parallellen - ooit zeevarende naties en ooit koloniale mogendheden - zeggen dat ze tussen de grote Europese broers iets van een onderlinge verstandhouding hadden ontwikkeld, met een wederzijdse bevruchting, maar nee.

Er zijn maar weinig woorden in onze taal die uit of via het Portugees tot ons zijn gekomen. Zich gedeisd houden, Joost (Deus) mag het weten, palaveren, mandarijn.

Omgekeerd zijn er in het Portugees maar een gering aantal Nederlandismen. Arenque, dique en colza voor haring, dijk en koolzaad.

Er zullen er wel meer zijn, maar ze vallen in het niet bij de leenwoorden uit het Arabisch, het Engels, het Frans.

En er bestaat nog een soort steenkolen-Nederlands, Portolandês geheten en gesproken door Portugese gastarbeiders, Bazuina en Chico Afonso voor bezuinigingen en ziekenfonds.

Cabostoque voor kapstok.

Maar daar heeft verder niemand weet van.

Wat de beide landen werkelijk van elkaar kennen blijft beperkt tot de toeristische façade van enkele pittoreske details. Een rijtje verplichte, onuitroeibare nummers.

Zelfs de Portugese journalist die in zijn krant intelligent over Nederland probeert te schrijven ontkomt niet aan de vermelding van Rembrandt, tulpen, rondvaartboten, diamanten, raamhoeren en drugs.

Als hij wil schrijven als iemand die écht ingewijd is en van alles op de hoogte zal hij nog het fenomeen van de gezelligheid aanstippen.

En wat verneemt een Nederlander als er in een van zijn kranten op de knop Portugal wordt gedrukt?

Dan rolt er iets uit over Pessoa, azulejos, ossekarren, fado's, bureaucratie en de hartelijkheid van eenvoudige mensen.

En pretendeert men een waarachtig kenner van Portugal te zijn dan zal het fenomeen van de saudade worden aangestipt. Meer niet.

Het zegt iets - het hardnekkige beklijven van deze stereotiepen - over de belachelijkheid van onze pogingen om een nationale identiteit, een soort diepere eigenheid, te fixeren en te exporteren. Wat we ooit nog over de unieke Nederlandse volksaard zullen verzinnen, de diamanten en de raamhoeren zullen zegevieren. Hoe men in Portugal ook nog zal roeren in de pot met Portugeesheid, het zal een land van smartelijk zingende volkstypen blijven.

Voor wat hun diepere wezen betreft zullen de beide kleine landen het met hun gezelligheid en hun saudade moeten blijven doen.

In beide landen is men ervan overtuigd dat het om een eigenschap gaat die niet écht door een buitenlander begrepen kan worden. Om een woord dat je in een andere taal alleen maar bij benadering kan weergeven. Daar houden de overeenkomsten weer op.

Uit de onmogelijkheid saudade of gezelligheid met één uitdrukking die het begrip volledig dekt te vertalen trekken de Portugezen wat al te begerig de conclusie dat het dan ook niet uit te leggen zou zijn, een mysterie, enkel gedeeld door mede-Portugezen.

Daarbij lijkt de Portugees zijn eigen saudade minder te begrijpen - of voor ongrijpbaar te houden - dan de Nederlander zijn gezelligheid. Er verschijnen voortdurend gewichtige boeken en essays over.

Misschien is gezelligheid niet letterlijk te vertalen. Maar een Nederlander kan een vreemdeling verdomd goed duidelijk maken wat het voorstelt. Hij hoeft maar schemerlamp, theemuts, speculaaspop en Mens Erger Je Niet te noemen - en hij is er.

Zo is ook de saudade vrij simpel, vrees ik. Maar de Portugees trekt er zijn oriëntaalse glimlach bij, de glimlach van ik-verraad-niets.

Misschien ligt hier toch nog een mogelijkheid dat het ene kleine land het andere bevrucht.

Als wij Nederlanders eens zouden afspreken nooit iets te verklappen van het vreselijke geheim van onze gezelligheid?