Beelden van Edgar Degas uit Braziliaanse collectie in Van Gogh Museum; Geheime vingeroefeningen in klei en was

Tentoonstelling: Edgar Degas, sculptor. T/m 23 febr. in Rijksmuseum Vincent van Gogh, Amsterdam. Geopend: Di. t/m za. 10-17 uur, zo 13-17 uur, ma. gesloten. Catalogus: ƒ 22,50.

Als een kleine koningin kijkt het Danseresje van veertien jaar over het binnenkomende publiek heen. Ze staat in het middelpunt van de tentoonstelling met sculpturen van Edgar Degas (1834-1917) in het Van Gogh Museum in Amsterdam. Het danseresje is een kwart kleiner dan een echt meisje van veertien jaar, maar groter dan alle andere beelden. Ze staat hoog op haar voetstuk, met haar neus in de wind. De kleine danseres maakt indruk met deze fiere houding, en tegelijkertijd ontroert zij haar publiek. Ze poseert daar wel ongenaakbaar en elegant, maar het groenzijden lint in haar gevlochten haar is verbleekt, de rijk geplooide tutu die ze draagt is versleten en bovenal; haar lijfje is nog zo kinderlijk jong.

In 1881 was Degas' Kleine Danseres van veertien jaar voor het eerst te zien op een tentoonstelling van de impressionisten in Parijs. Het aangeklede beeldje, dat een pruik van paardehaar droeg, was voor die tijd ongekend realistisch. Het alarmeerde de critici die het Griekse idealisme hooghielden: ”Mr. Degas droomde van een lelijkheidsideaal. De gelukkige man! Hij heeft het bereikt...'. Maar er waren ook anderen, uitzonderingen weliswaar, die zich juist verheugden over de sculptuur waarmee Degas alle eindeloos herhaalde klassieke vormen ver achter zich liet. Niettemin was deze kleine danseres het eerste en laatste beeld dat de kunstenaar aan het publiek presenteerde. De vele sculpturen die hij nog zou maken, hield hij schuil in de intimiteit van zijn atelier.

Degas modelleerde vooral paarden, danseressen en vrouwen aan hun toilet of in bad. In het museum zijn de beeldjes, alle afkomstig uit de collectie van het Museo de Arte in Sao Paulo, Brazilië, gegroepeerd naar onderwerp. Een mooie opzet, want uit de vele, soms kleine variaties in houdingen van de figuren, blijkt hoe gedreven Degas ernaar streefde om hun beweging te vangen. Zijn paarden draven met omhoogzwaaiende staarten, galopperen en steigeren. Aandoenlijk is het Trekpaard, dat van de inspanning door zijn benen zakt, de hals volhardend gestrekt. ”Wat voor mij belangrijk is', zei Degas over zijn sculpturen, ”is het weergeven van de natuur in al haar aspecten, van beweging op een precies waarheidsgetrouwe manier met nadruk op de beenderen en spieren en de stevigheid van het vlees.' Achter elkaar opgesteld in een rij, toont een aantal paarden haast als in een stripverhaal de veranderende houding van het dier in beweging.

In een grote vitrine staan Degas' danseressen bij elkaar, verstild in een naakt ballet, met geheven armen en balancerend op één been. Deze aantrekkelijke beeldjes van vaak maar dertig centimeter hoog, vragen er haast om om in de hand genomen te worden. Ze zijn veel minder slank dan echte ballerina's, maar hun vormen zijn net zo rond als die van de badende vrouwen. Het ongenaakbare karakter van de Kleine Danseres van veertien jaar ontbreekt volledig in deze plastieken. Geen ervan is zo gedetailleerd en glad afgewerkt als zij. Terwijl haar houding geposeerd is en zelfs de rimpels van haar kous duidelijk zichtbaar zijn onder haar knie, zien we hier toch schetsmatige momentopnames. Voor de kunstenaar waren het oefeningen; telkens herhaalde pogingen om greep te krijgen op de beweging van een figuur.

Degas realiseerde zich dat zijn contourlijn nooit de werkelijke begrenzing van een figuur vormde. Vermoedelijk maakte hij rond 1870 zijn eerste wassen beeldje van een paard in beweging, om bij het schilderen over een ruimtelijk voorbeeld te beschikken en zodoende een levendig resultaat te kunnen bereiken. Daarna kreeg het boetseren voor hem een eigen waarde. Hij gaf zich er zelfs helemaal aan over, toen zijn afnemende gezichtsvermogen het hem op latere leeftijd onmogelijk maakte om nog te schilderen.

De beeldjes van was en klei stonden in alle hoeken van zijn atelier. Zelf liet hij ze nooit in brons gieten, zodat velen ervan uitdroogden en barstten. Daar kwam nog bij dat Degas zich nooit werkelijk verdiept had in de technische opbouw van een beeld en naar eigen inzicht provisorische (en dus kwetsbare) armaturen maakte. Hij modelleerde en her-modelleerde zijn figuren en experimenteerde vaak zo lang met hun houding en de verdeling van het gewicht, dat ze nog onder zijn handen in elkaar stortten.

Na Degas' overlijden werd in zijn atelier een groot aantal beelden aangetroffen, bedekt onder een flinke stof en vaak onherstelbaar beschadigd. Tweeënzeventig figuren konden worden gered, waarvan in een beperkte oplage bronzen afgietsels werden gemaakt. ”Mijn beelden zullen nooit het gevoel van compleetheid geven dat voor de makers van standbeelden het ideaal is, omdat niemand deze experimenten ooit zal zien', had de kunstenaar eens gezegd. Degas heeft gelukkig ongelijk gekregen.