Tweezijdig CAO-monopolie

Er is een discussie op gang gebracht die ingrijpende gevolgen kan hebben voor de arbeidsverhoudingen in ons land. Het gaat om de kwestie of collectieve arbeidsovereenkomsten algemeen verbindend moeten worden verklaard op de vanzelfsprekende wijze waarop dat op het ogenblik gebeurt. De kritiek op deze praktijk is vrijwel uitsluitend afkomstig van macro-economen.

Het voornaamste doel van de Wet op het algemeen verbindend en onverbindend verklaren van CAO's van 1937 (Wet AVV) is de bedrijfstak-CAO te beschermen tegen concurrentie van buitenstaanders. Door avv kan worden voorkomen dat de door de CAO aangebrachte collectieve ordening van arbeidsvoorwaarden wordt ondergraven. In 1989 sprak de Stichting van de Arbeid zich nog unaniem uit voor handhaving van dit instrument.

Wat pleit er tegen avv? De economen vinden de gegroeide praktijk van het automatisch toepassen van avv funest voor de werkgelegenheid. Arbeidsjuristen treden op als verdedigers van avv, omdat daarmee de arbeidsrust is gediend.

Blijkens een verslag in deze krant van een onlangs gehouden discussie-bijeenkomst heeft drs. G. Zalm, directeur van het Centraal Planbureau, getracht een psychologische verklaring te geven van de tweedeling tussen juristen en economen. De eersten zouden positieve associaties hebben bij uitdrukkingen als rust, pacificatie en ordening, terwijl de laatsten hun hart pas sneller voelen kloppen bij termen als concurrentie, prikkels, dynamiek en flexibiliteit.

Zalm had nog iets verder moeten gaan. Hij had zijn amateurpsychologie ook moeten toepassen op de ondernemers, die ook arbeidsrust en voorspelbare arbeidsverhoudingen prefereren boven de dynamiek van loonconcurrentie.

Bovendien geloof ik dat de economen een verkeerde kijk hebben op de arbeidsmarkt. Ze zien deze als een werkgelegenheidsmarkt die bij een evenwichtsprijs volledig geruimd kan worden, zoals dat met goederenmarkten het geval kan zijn.

Elke beginnende student in de economie weet dat de arbeidsmarkt niet voldoet aan de voorwaarden die aan een markt met perfecte concurrentie worden gesteld. De verhandelde "waar', arbeid, is allerminst homogeen. De markt is niet erg doorzichtig, de partijen zijn zeker niet volledig geïnformeerd.

Bovendien valt de arbeidsmarkt uiteen in een groot aantal deelmarkten. Op zo'n markt is evenwicht eerder uitzondering dan regel.

Er moet ook een onderscheid worden gemaakt tussen de loonmarkt, waarop CAO-partijen opereren, en de werkgelegenheidsmarkt waarop de individuele onderneming de dienst uitmaakt.

Ongetwijfeld bestaat er samenhang tussen beide markten, maar de werkgevers- en werknemersorganisaties die CAO's afsluiten beslissen niet over de werkgelegenheid. Dat doet de ondernemer, die zich daarbij zeker zal laten leiden door de arbeidskosten die uit de gesloten CAO voortvloeien, maar niet alleen daardoor. Als het erg moeilijk is om aan arbeidskrachten te komen zal hij graag bereid zijn meer te betalen dan de CAO hem toestaat. Hij zal dat zeker doen als buitenstaander, die niet gebonden is aan de CAO. Economen, die van opheffing van avv alleen maar daling van loonkosten verwachten, zien dit aspect stelselmatig over het hoofd.

Toch moet worden erkend dat de avv de macht van de organisaties steunt. Werkgevers- en werknemersorganisaties verwerven zich door algemeen verbindend verklaring van een CAO een monopoloïde positie waardoor zij de totstandkoming van de arbeidsvoorwaarden aan de wetten van vraag en aanbod kunnen onttrekken. Er is sprake van een tweezijdig monopolie en daar zitten ongetwijfeld bedenkelijke kanten aan.

De arbeidsjurist W.J.P.M. Fase schreef in zijn proefschrift Vijfendertig jaar loonbeleid in Nederland dat het gevaar bestaat dat de machtspositie wordt misbruikt, vooral in die sectoren waar de vraag naar de eindprodukten inelastisch is. Door de loonkosten in de bedrijfstak als concurrentiefactor uit te schakelen dreigen de werknemers het loonpeil op te schroeven. De werkgevers bieden daartegen onvoldoende weerstand, als zij weten dat zij de kosten toch kunnen doorberekenen in hun afzetprijzen en dus verhalen op de consument. Ook ziet Fase in dat algemeen verbindend verklaring een verstorend effect kan hebben op de werkgelegenheid.

Juist om misbruik te voorkomen heeft de wetgever de minister de bevoegdheid gegeven om CAO's onverbindend te verklaren. Dit middel gaat verder dan een weigering om een CAO algemeen verbindend te verklaren. De minister kan van die bevoegdheid gebruik maken als de CAO, of bepalingen daarvan, in strijd zijn met het algemeen belang. Tot nu toe heeft hij dat nooit gedaan.

Zou hij dat wel gaan doen - en dat lijkt niet meer ondenkbaar nu minister De Vries blijk heeft gegeven daar niet afkerig van te zijn - dan komt deze ingreep dicht in de buurt van een loonmaatregel. Het paradoxale gevolg zal zijn dat we dan toch via afschaffing van de avv terug zijn bij een geleide loonpolitiek. Daar hebben macro-economen nooit veel bezwaren tegen gehad. Zij zien geleide loonpolitiek met het doel het tweezijdig CAO-monopolie te ontmantelen kennelijk als een middel om de concurrentie te bevorderen. Dit heet de duivel uitdrijven met Beëlzebub. Ik teken alleen bezwaar aan tegen hun opvatting dat afschaffing van de avv het instrument bij uitstek is om via versterking van de loonconcurrentie de werkgelegenheid te verbeteren.