Sociale dienstplicht is ongewenst

De militaire dienstplicht vindt zijn rechtvaardiging in de nationale veiligheid: verdediging van de landsgrenzen is dermate belangrijk dat de gedwongen tewerkstelling van jeugdigen in de krijgsmacht lange tijd vanzelfsprekend was. Het begint er echter op te lijken dat de krijgsmacht het ook zonder dienstplichtigen kan stellen. Daarom onderzoekt de commissie-Meyer de haalbaarheid van afschaffing van de dienstplicht. Sommigen hebben moeite met het afscheid van de dienstplicht, zijn op zoek naar een nieuwe bestaansgrond en koppelen de discussie over sociale dienstplicht aan het militaire debat. Onlangs verscheen op deze pagina een artikel van het Tweede-Kamerlid Ton de Kok waarin hij stelde dat er geen steekhoudende argumenten worden aangevoerd tegen de invoering van een sociale dienstplicht. De dienstplicht is echter geen doel op zich, maar een noodzakelijk kwaad. Als de overheid een deel van haar burgers dwingt tot arbeid, stuit dat op principiële bezwaren, die slechts bij hoge uitzondering opzij kunnen worden gezet.

De invoering van een sociale dienstplicht zou betekenen dat alle jongeren een bepaalde periode in bijvoorbeeld een ziekenhuis of een plantsoen zouden moeten doorbrengen. De Kok zegt dat de dienstplichtigen moeten worden ingezet “waar de beroepskrachten hun kostbare tijd besteden aan klusjes die ook door ongeschoolden zouden kunnen worden gedaan”. De aard van het werk en het verplichte karakter ervan zullen de motivatie niet ten goede komen. Volgens De Kok betekent twijfelen aan de motivatie van sociaal dienstplichtigen een motie van wantrouwen tegen de jeugd. Hij gaat er kennelijk van uit dat elke jongere - verplicht en tegen geringe vergoeding - vol goede moed de stofzuiger ter hand zal nemen. Niettemin zou het instrument van de dienstplicht nodig zijn om die arbeidsvreugde te kanaliseren.

De Kok miskent de economische waarde van dienstplichtigen. Een jaar dienstplicht betekent dat men een jaar korter produktief kan zijn in de andere sectoren van de economie. De daardoor gemiste produktie vormt de maatschappelijke kostenpost van de dienstplicht; niet de karige toelage die men gedurende dat jaar zou ontvangen. Voor de maatschappij is een dienstplichtige dus even kostbaar als een beroepskracht.

Naast de bovenstaande overwegingen is er ook een subtieler economisch argument dat tegen een sociale dienstplicht pleit. Zoals Adam Smith ruim tweehonderd jaar geleden al aangaf, is het marktmechanisme zo gek nog niet. Wie een baan zoekt die hem of haar een hoog inkomen verschaft, wordt zodanig ingeschakeld in het arbeidsproces dat de maatschappij als geheel er zoveel mogelijk profijt van heeft. Een computerdeskundige zal dan immers in de computerbranche terecht komen en iemand met een groot voetbaltalent zal op de velden zijn brood verdienen.

Sociale dienstplicht doorbreekt dit patroon en daar hangt een prijskaartje aan. De computerdeskundige en de voetballer leveren in de plantsoenendienst of het bejaardenhuis een lagere bijdrage aan de nationale welvaart. Anderen, zonder die specifieke kwaliteiten, zouden dat werk veel beter kunnen verrichten, omdat het produktieverlies in andere sectoren dan kleiner zou zijn. Het voordeel is maximaal wanneer al het werk wordt verricht door de mensen die daar relatief het meest geschikt voor zijn. En dat is precies waar het marktmechanisme, in tegenstelling tot dienstplicht, op is gericht.

Een voor de hand liggende tegenwerping is dat een vrije arbeidsmarkt dan wel een hoog nationaal inkomen mag opleveren, maar niet zorgt voor natuurbescherming of een goede verzorging van zieken en bejaarden. Dat klopt. Het gaat hier (deels) om collectieve goederen en diensten die alleen met behulp van de overheid in voldoende mate worden aangeboden. De overheid heeft dan ook als taak om, als de produktie in deze sectoren tekort schiet, te zorgen voor extra financiële middelen. Aldus kan de dienstverlening op het gewenste niveau worden gebracht zonder dat dit ten koste gaat van de doelmatige inzet van iedereen die zich op de arbeidsmarkt aandient. Dit vergt wel een herschikking van het overheidsbudget, gericht op de activiteiten (zorgsector, milieu) die meer aandacht verdienen.

Het alternatief voor het herschikken van het bestaande overheidsbudget is een belastingverhoging. Maar dat zou ongewenst zijn. Overigens zou een maatschappelijke dienstplicht wel een forse belastingverhoging zou inhouden. Dienstplicht betekent voor de dienstplichtige een belastingdruk van bijvoorbeeld tachtig procent. De belasting wordt voldaan in de vorm van dwangarbeid in plaats van door de overdracht van geld. Maar het blijft wel degelijk een belasting.

Dienstplicht betekent een forse inbreuk op de individuele vrijheid van de betrokken burgers. Bij de invoering van sociale dienstplicht ten behoeve van bijvoorbeeld natuurbescherming of bejaardenzorg is er van een noodzaak om tot een dergelijke inbreuk over te gaan geen sprake. Het gaat immers om taken die ook binnen de huidige maatschappelijke structuur kunnen worden verricht. Sterker nog, deze taken kunnen zelfs beter worden uitgevoerd zonder sociale dienstplicht en dus met behoud van de bestaande flexibiliteit van de arbeidsmarkt.