Recessie treft stropdassendragers

De voorspellingen blijven de zelfde: de huidige, economische cijfers zijn ongunstig, maar een sloom herstel, in de tweede helft van dit jaar, wordt door economen nog steeds voor mogelijk gehouden. Een boom zoals in de jaren tachtig is zeker uitgesloten. Voor president Bush is het de kunst om het einde aan de recessie nog ruim voor zijn herverkiezing in november naar binnen te halen. Anders ziet zijn toekomst in het Witte Huis er slecht uit.

Wall Street heeft groot vertrouwen in de toekomst. De beurs boekt het ene record na het andere. De reden voor de beleggerseuforie is de daling van het disconto van de centrale bank met één punt tot 3,5 procent, het laagste cijfer sinds 1964. Door de lage kosten van leningen zal de schuldencrisis zich sneller oplossen, zo is de redenering van de beleggers. Huizenbezitters herfinancieren hun hypotheekschuld met een lening tegen een lagere rente en houden meer geld over voor leuke dingen. Banken kunnen, dank zij de hoge koersen, met nieuwe emissies hun sterk verzwakte vermogenspositie versterken.

Normaal volgt er economische groei op de opwaartse stuwingen van de beurs. Zo ging ook de recessie in 1983 voorbij. Maar dit keer houden economen er rekening mee dat de stijging nergens op slaat. Eerder dit jaar toonde Wall Street zich enthousiast over de Amerikaanse overwinning in de Golfoorlog, maar ook die bracht geen blijvende, materiële vreugde in Amerika. Na een oplevinkje zakt alles weer.

Afgelopen week daalde de index van belangrijke economische cijfers van het ministerie van handel met 0,3 punt. Deze index is de belangrijkste voorspeller voor de economie over een half jaar. De voornaamste oorzaak is het achterblijvende consumentenvertrouwen. Dat is gedurende de hele recessie niet zo laag geweest. Anderzijds stegen in november de persoonlijke uitgaven met 0,4 procent, hoewel de persoonlijke inkomens met een half procent daalden.

In ieder geval kochten de Amerikanen met de kerstdagen weinig. President Bush verhief de aankoop in een winkel tot een patriottische daad door in een winkelcentrum twee paar sokken en een t-shirt af te rekenen. Maar deze magere aanschaf was eerder spartaanse beknibbeling dan een geste uit overdaad. Sokken en ondergoed kan de middenklasse zich nog wel veroorloven, maar nieuwe auto's, huisapparatuur of dure japonnen durven ze niet aan. Bij een flinke besteding was Bush waarschijnlijk gekritiseerd om ongevoeligheid voor de arme recessielijders. De hele winkeltrip was dus altijd tot mislukking gedoemd. Later moest de president erkennen dat er inderdaad sprake is van een recessie.

De diepe vertrouwenscrisis hangt samen met de afvloeiingen in grote bedrijven. Dit keer worden niet alleen produktiewerkers in blauwe overall getroffen, maar ook stropdasdragers. Bij de twee vorige recessies nam het aantal stropdasdragers zelfs nog toe: van 1981 tot 1982 groeide het zittende kader in bedrijven en overheid met 776.000 personen gedurende 15 maanden. Nu staan ook zij buiten, weliswaar nog in geringere aantallen dan hun collega's in overall. De slachting heeft vooral plaats in de dienstensector, die veelgeprezen banenmotor van de jaren tachtig. Alleen in de gezondheidszorg wordt goed verdiend. Banken, hamburgerketens, advocatenfirma's, winkelbedrijven en overheidsinstellingen moeten het ontgelden. Afvloeiingen van hoger personeel hebben ook politieke betekenis. Een manager die plotseling de kloof van werkloosheid en soms zelfs dakloosheid voor zich ziet en nergens meer aan het werk komt, zal anders denken over de verantwoordelijkheden van de overheid voor zijn nood.

Vooral de goed betaalde stropdasdrager kan bij zijn val heel wat economische toeleveranciers meeslepen. In de omgeving van uitgedunde bedrijven als IBM moeten winkels sluiten. In het economisch uitgedunde gebied in en rondom Washington zijn in de vrolijke jaren tachtig veel te veel Bijenkorfachtige luxe-warenhuizen zijn gebouwd. Binnenkort moeten er een paar sneuvelen.

De inkrimpingen doen iedereen schrikken. Mensen vrezen voor hun eigen baan en sparen voor tijden van nood. Wie op straat staat, heeft recht op slechts een minimale uitkering en verliest zijn ziekteverzekering. De kloof kan diep zijn. Zelfs mensen met zekere functies laten zich door de algemene economische angst meeslepen. Hoewel de recessie een ideale tijd voor kopers op de huizenmarkt is, houden ze de beurs in de zak. Huizenprijzen zijn lager dan ooit maar niemand durft te kopen. De teleurstelling over het uitblijvende herstel speelt ook een rol. Lichtpuntjes worden niet meer serieus genomen.

Het aantal jaarlijkse faillissementen in het noordoosten van het land is sinds 1989 verdubbeld. Banken veroorzaken faillissementen door leningen op te eisen van financieel goed renderende bedrijven die hun verplichtingen altijd netjes zijn nagekomen. Ze zijn slechts op papier in gebreke: het hypotheekonderpand is door de recessie minder waard geworden dan de lening. Steeds meer personeel wordt op tijdelijke basis aangenomen, karweitjes worden aan onafhankelijke consulenten uitbesteed.

Toch zijn de cijfers voor deze recessie nog niet zo ongunstig als die in 1982. De werkloosheid bereikte indertijd bijna 11 procent (van de beroepsbevolking), in 1975 9 procent, nu is dat nog 6,8 procent. Veel mensen zijn weliswaar opgehouden met zoeken naar werk en komen niet meer voor in de werkloosheidsstatistiek, maar hun aantallen zijn aanzienlijk lager dan in de recessie in 1982. Er zijn minder werkzoekenden bij gekomen. Dergelijke cijfers zijn een geringe troost voor degene wiens werkloosheidsuitkering is geëindigd en die wegens geldgebrek niet meer naar de dokter kan gaan.