Moermantherapie

Op 2 december werd het onlangs in boekvorm verschenen onderzoek naar de Moermantherapie, getiteld: “Retrospectief ondezoek naar de effectiviteit van de Moermantherapie” door redacteur Wim Köhler zeer negatief becommentarieerd. In zijn reactie heeft Willem Honnebier (NRC Handelsblad, 19 december) duidelijk aangegeven waarom dit commentaar op vele punten niet klopt. Als mede-auteur van voornoemd rapport wil ik nog meer kanttekeningen plaatsen bij het stuk van Köhler.

Hij stelt dat minder roken de belangrijkste factor is om kanker te voorkomen. Het is echter algemeen bekend dat slechte voeding een belangrijkere factor is en dat roken in belangrijke mate kankerverwekkend is door afbraak van kankerpreventieve stoffen in de voeding. Voorts ben ik het met Köhler oneens dat eventueel verder onderzoek naar de Moermantherapie alleen bij patiënten zou mogen, waardoor geen zinvolle reguliere behandeling resteert.

Prospectief onderzoek steunt mijn opvatting. Wanneer patiënten die voor longkanker geopereerd zijn hoge doses vitamine A krijgen dan blijkt het recidiefpercentage na 1 jaar ongeveer de helft lager te liggen. (Pastorino u et al, Acta Oncologica 27:773-782, 1988) Vitamine K verdubbelt (als adjuvant naast bestraling) de vijfjaarsoverleving van patiënten lijdend aan wangkanker (ontstaan door pruimen van tabak). (RT Chlebowski et al, Cancer Treatment reviews 12:49-63, 1985.)

Het B-vitamine foliumzuur blijkt het levensverlengende effect van het kankermedicijn 5-fluoruracil bij terminale darmkanker aanzienlijk te versterken (NTvG 134:828, 1990). Voor thymuspreparaten en beperking van verzadigd vet bestaat eveneens goed prospectief onderzoek. Het accent zal in de toekomst (momenteel staan circa vijftig stoffen in de belangstelling) evenwel op de preventie moeten liggen. Bij tbc, polio en vele andere ziekten heeft de grote winst toch in de preventie gezeten.