Macedonië kan internationale dimensie geven aan burgeroorlog

De EG heeft besloten om per 15 januari niet alleen Slovenië en Kroatië te erkennen, maar alle Joegoslavische deelrepublieken die daartoe de wens te kennen geven en vervolgens slagen voor het "toelatingsexamen'.

De republiek Macedonië, waarvan de bevolking zich weliswaar al in september heeft uitgesproken voor een grotere onafhankelijkheid, heeft zich tot nu toe wijselijk onthouden van een al te expliciete stellingname in het conflict. Als de deelrepubliek Macedonië zal kiezen voor volledige onafhankelijkheid en autonomie, wordt aan de Joegoslavische burgeroorlog, die tot nu toe een binnenlandse aangelegenheid was, een nieuwe internationale dimensie wordt toegevoegd. Oude regionale twistpunten, samengevat als "de Macedonische Kwestie', zullen waarschijnlijk worden opgerakeld; de kans dat ook buurlanden zich in het conflict mengen, neemt toe. Voor de achtergronden hiervan moeten wij terug in de geschiedenis.

Deze "kwestie' is immers voornamelijk het gevolg van het veranderende machtsevenwicht op de Balkan aan het einde van de vorige eeuw. Toen in het midden van de negentiende eeuw het grote Ottomaanse Rijk begon te desintegreren, zagen de regionale volkeren hun kans schoon en verwierven - vaak met steun van de grote Europese mogendheden - een zekere mate van onafhankelijkheid. Zo werd na één van de vele Russisch-Turkse oorlogen, Turkije al in 1829 gedwongen om aan Servië beperkte autonomie te verlenen. Griekenland kwam in 1828 in opstand tegen het Ottomaanse Rijk; dank zij interventie van Rusland, Frankrijk en Engeland werd het in 1830 onafhankelijk, zij het dat het toen alleen nog maar zuid- en midden- Griekenland omvatte. Iets soortgelijks gebeurde in Bulgarije. Na vijf eeuwen Turkse onderdrukking werd in 1887 Ferdinand van Saksen Coburg tot koning gekozen.

Het stategisch belangrijk gelegen Macedonië met zijn heterogene bevolking (Turken, Albanezen, Grieken, Walachen en Slaven), bleef echter voorlopig nog deel uitmaken van het Ottomaanse Rijk. Het was echter omringd door drie buurlanden die alle drie meenden goede redenen te hebben om Macedonië te annexeren. Bulgarije meende oude historische rechten te hebben; de Macedoniërs maakten volgens hen deel uit van het Bulgaarse volk en het Macedoons was slechts een Bulgaars dialect. Bulgarije werd in die opvatting gesterkt door de vrede van San Stefano (1878), waarbij hen ongeveer geheel Macedonië werd toegewezen. Na hevige Griekse protesten werd weliswaar deze beslissing datzelfde jaar nog tijdens het Congres van Berlijn weer teruggedraaid, maar de Bulgaarse aspiraties werden daarom niet minder. Het oude Servische verlangen naar een "Groot-Servisch Rijk' werd in noordelijke richting ingetoomd door de Oostenrijkse dubbelmonarchie, vandaar dat noodzakelijkerwijs al spoedig in zuidelijke richting werd gezocht. Daarbij kwam dat de Slavische minderheid in Macedonië door hen als Servisch werd beschouwd. En de Grieken ten slotte beschouwen Macedonië als een wezenlijk deel van het Hellenistische erfgoed.

Echter ook onder de Macedonische bevolking leefde sterke nationalistische gevoelens, die - in het bijzonder door Bulgarije en in mindere mate Griekenland - werden aangewakkerd. Daardoor bleef Macedonië decennia lang onrustig; het land werd geteisterd door terroristische organisaties en opstanden tegen de Turkse bezetters. De bekendste was de Ilinden-opstand op 20 juli 1903, thans nog steeds het symbool van Macedonisch nationalisme.

Pas na de Tweede Balkanoorlog (Verdrag van Boekarest, 10 augustus 1913), werden - op kleine uitzonderingen na - de nog steeds bestaande grenzen getrokken. Macedonië werd verdeeld tussen Griekenland (vijftig procent), Servië (veertig procent) en Bulgarije (tien procent). Uiteindelijk bleek Bulgarije de grote verliezer te zijn en het is dan ook niet verwonderlijk dat Bulgarije zowel tijdens de Eerste als de Tweede Wereldoorlog - in ruil voor de toezegging dat het Macedonië zou mogen inlijven - partij koos voor de "Duitse' zijde.

Ook de communistische partijen op de Balkan hadden zich intussen in het conflict gemengd. Ruim voor de Tweede Wereldoorlog hadden deze partijen, op instructies van de Comintern, al besloten te streven naar een Verenigd Macedonië, dat deel zou gaan uitmaken van een Communistische Balkanfederatie. De Bulgaarse communistische partij zou daarbij een leidende rol vervullen. Deze op de Balkan omstreden doelstelling werd echter - met het oog op de strijd tegen het fascisme - tijdelijk op een laag pitje gezet.

Aan het einde van de Tweede Wereldoorlog kreeg het Macedonisch nationalisme een nieuwe impuls uit onverwachte hoek. Toen in 1943 in het Bosnische stadje Jajce de grondslag werd gelegd voor de na-oorlogse Joegoslavische staatsstructuur, stond voor Tito één ding vast. Terwille van de noodzakelijke evenwichtige verhoudingen in het na-oorlogse Joegoslavië was het essentieel de macht van Servië te besnoeien. Daarom werd gekozen voor een structuur van zes republieken en twee autonome provincies. Daarom werd die merkwaardige constructie van de twee autonome provincies (Voijvodina en Kosovo) binnen de republiek Servië verzonnen. Daarom ook werd de republiek Macedonië opgericht (in het vooroorlogse Joegoslavië was Macedonië immers sinds 1913 een deel van Servië geweest) en daarom ook werd sindsdien - tot grote ergernis van Bulgarije en Griekenland - door de communistische partij van Joegoslavië het Macedonisch nationalisme gepropageerd en gecultiveerd.

Aan het einde van de Tweede Wereldoorlog kwamen ook de oude dromen van een communistische Balkan federatie weer even tot leven. In juli 1947 kwamen Tito en de Bulgaarse communistische leider Dimitrov zelfs een "federatie' overeen, waarbij - in ruil voor andere concessies - het betwiste (Bulgaarse) gebied van Pirin bij Joegoslavisch Macedonië zou worden gevoegd. Deze federatie werd echter getroffen door een "veto' van de Sovjet-Unie. Op grond van soortgelijke overwegingen (een verenigd communistisch "groot' Macedonië) verleende de Joegoslavische partij op grote schaal steun aan de Griekse communisten gedurende de Griekse burgeroorlog (1946-'48). Pas in juli 1948, toen Tito uitgestoten werd uit de Communistische Internationale en de leiding van zowel de Bulgaarse als de Griekse communistische partij zich conformeerde aan het partijstandpunt, kwam een einde aan het streven naar een verenigd "Groot' (en communistisch) Macedonië.

Dank zij de Koude Oorlog en de daaruit voortvloeiende machtsverhoudingen is het in dit historische wespennest gedurende veertig jaar - afgezien van enige kleine politieke en verbale schermutselingen - betrekkelijk rustig gebleven. Dat betekent niet dat oude ambities en sentimenten ook werkelijk zijn verdwenen.

Nu de Balkan opnieuw in beweging is gekomen, zal wllicht worden gepoogd alsnog oude rekeningen te vereffenen en oude doelstellingen te verwezenlijken.