Kwijnen op muziek Bzzlletin 191-192. Bzztôh, 96 ...

Kwijnen op muziek Bzzlletin 191-192. Bzztôh, 96 blz. ƒ 12,50

Genadeloze Jongen Sic, 1991-4. Tilburg, 013 - 444442. 76 blz. ƒ 14,50

Alle behalve "boe' Granta 38, We're So Happy! Penguin Books, 256 blz. ¢8 6,99.

Kwijnen op muziek

Hoogst eigenaardig: Bzztôh geeft een heel boek uit in de vorm van een literair tijdschrift. Zonder verder commentaar, dus naar de reden moeten we gissen. Fin de siècle van Jaap Harskamp verschijnt als dubbelnummer 191-192 van Bzzlletin.

Dit dubbelnummer (met het aantal bladzijden van een enkel) dat hij in zijn eentje volschreef, heeft als ondertitel "Seks en ontaarding tijdens het fin de siècle'. Harskamp verdedigt in zijn "boek' de these dat de degeneratie van literaire personages als Van Deyssels Mathilde, Van Eedens Hedwig en Emants' Termeer te wijten is aan de "onderdrukte eros'. “Degeneratie en een verstikkende seksuele ethiek blijken ten nauwste samen te hangen.” De auteur, ook van Hoeren en Heren in de 19de eeuwse literatuur, behandelt achtereenvolgens spleen, de invloed van Darwin, erotiek in muziek, Strindberg en de vrouw als moeder, Madonna of hoer, Een liefde, Emants, en Van de koele meren des doods.

“De enorme versnelling van het leven in de negentiende eeuw en daarmee samenhangend: het opgejaagde tempo van verandering (in elk aspect: staatkundig, commercieel, technologisch, artistiek), geven de beschouwende geest de indruk dat de eeuw zich naar een overspanning toe werkte.” Harskamp waagt zich nergens aan een uitspraak over hedendaags spleen of varianten daarop. Hij wil niet dichterbij komen dan D. H. Lawrence en Sartre - de laatste in vergelijking met Frederik van Eeden.

Al de artistieke verbeeldingen uit die tijd van de zwakke, nerveuze en lijdende vrouw hebben volgens Harskamp het aantal van deze vrouwen in de werkelijkheid doen stijgen - de realiteit bevruchtte de kunst en vice versa. Fraaie voorbeelden van de negentiende eeuwse cultus der vrouwelijke zwakheid vond hij bij de schilders Ridel, Waterhouse en Millais (Ophelia). In zijn toon klinkt, waar het gaat over de afhankelijke positie van de vrouw, voortdurend heftige verontwaardiging door. “De wetenschap”, zegt hij over het darwinisme, “bood alle bewijzen van haar geestelijke debiliteit”.

Veel kunst uit die periode, met de verleidelijke vrouw als thema, lijkt hem maar matig te bevallen: “De vrouwelijke sensualiteit bracht in de beeldende kunst een vorm van gluurderij en een hijgerige suggestiviteit naar voren.” Een andere overheersende toon bij Harskamp is de docerende; zijn tekst doet nu en dan denken aan een hoorcollege. Goed verteld, over allemaal boeiende wetenswaardigheden, maar zonder verrassende visie of ongewoon uitgangspunt. Maar dát kan voor uitgeverij Bzztôh toch nauwelijks een reden zijn geweest om Fin de siècle niet als boek uit te geven?

Wel heeft Harskamp een bijzondere belangstelling voor de erotiek van muziek, en voor hoeren. Wist ú dat ze in de vorige eeuw zelfs ontvingen in achterkamers van sigaren- en viswinkels?

Bzzlletin 191-192. Bzztôh, 96 blz. ƒ 12,50

Genadeloze Jongen

Van Bzzlletin naar Sic is het slechts een enkele stap: J.L. Dijkhuis bespreekt hier het thema van de "Meedogenloze Jongen' in het werk van Reve. “Wie in de Meedogenloze Jongen onmiddellijk God ziet, lijkt ook daarmee zichzelf boven alle problemen te willen verheffen” verzet Dijkhuis zich tegen een te gemakkelijke uitleg, maar hij moet toegeven dat Reves Belle "Dame' Sans Merci niet een twee drie onder te brengen valt. “Hij duikt hier en daar op, als een soort running gag, maar nooit is hij bij enige handeling of intrige betrokken, laat staan dat verhalen over hem zoals de in Nader tot u aangekondigde ooit zijn verschenen.”

Romans èn brieven werden door Dijkhuis bekeken op het voorkomen van de Meedogenloze Jongen, indirecte verwijzing en varianten doen dus niet mee. Hij wil ook pertinent het motief van het Revisme los zien van de Meedogenloze Jongen. “Het is zonder meer onjuist om met een beroep op het Revisme een ieder aan wie in Reves werk zeeverkenners e.d. geleverd zouden worden, te benoemen als Meedogenloze Jongen.” Hoewel hij het ernstig probeert komt ook Dijkhuis niet in de buurt van een sluitende analyse - een running gag dan toch?

R. Spork schrijft over Martinus Nijhoffs werk voor de Commissie voor de Kunstsubsidies (1928-1932), en Charles Vergeer annoteerde een stenografisch verslag van een lezing die Menno ter Braak hield over Arthur van Schendel in 1937: “Van Schendel schreef de tragedie van het Nederlandsche Protestantisme”. Frans van Dooren vertaalde komische staartsonnetten uit het Italiaans en Jasper Mikkers, vroeger getooid met het pseudoniem Tymen Trolsky, schreef een fietsverhaal, "De val'.

Sic, 1991-4. Tilburg, 013 - 444442. 76 blz. ƒ 14,50

Alle behalve "boe'

De nieuwe Granta bestaat dit kwartaal hoofdzakelijk uit voorpublikaties. Om te beginnen alvast zeventig bladzijden uit de Biography of a Buick van Bill Morris, de eerste roman van een Amerikaanse journalist-discjockey. De schrijver bezit zelf twee Buicks uit 1954, en dat is het jaar waarin zijn boek begint. General Motors was nog één en al zelfvertrouwen, van de Japanners viel niets te duchten, iedereen rookte nog, kocht keukenapparaten of een kleuren-tv, en zag de toekomst zonniger in dan ooit. “Inflation's low, employment's high, everyone loves the Republican in the White House, and they're so busy buying cars and making money and babies that they might as well be embalmed.” Bijrollen in de roman hebben onder anderen "Ike' Eisenhower, Marilyn Monroe, Vladimir Nabokov, en auto's natuurlijk.

Jeremy Rifkin trakteert alvast op een stukje uit zijn boek Beyond Beef, met "Anatomy of a Cheesburger' dat ellendig genoeg geïllustreerd werd met foto's. In Amerika worden elke seconde 200 hamburgers verkocht. Rifkin geeft de details van de Amerikaanse slachttradities, en een korte biografie van de slachtkoe. Hoeveel de dieren wordt ontnomen en wat, in chemische vorm of gewoon als zaagsel dan wel cementstof, wordt toegediend - hou die hamburgers maar. Veertig procent van de koe wordt voor andere produkten gebruikt; van deodorant en pianotoets tot in ijs en asfalt. “In the beef industry they use everything but the "moo'.”

Fotograaf Eugene Richards heeft ontegenzeglijk een morbide smaak. Na in Granta eerst fotoseries te hebben gepubliceerd van zijn aan kanker stervende vrouw en van de noodgevallen in een eerste-hulppost, komt hij nu met steels gefotografeerde scènes uit Philadelphia's “War Zone”, een verpauperde wijk waar gehandeld wordt in crack en zuivere heroïne, en waar iedereen gewapend is. Wie na dit alles nog vrolijk is kan "Adjustment' lezen van Tracy Kidder, een verhaal over de handelwijze van verzekeringsmaatschappijen na fatale auto-ongelukken. Een van de zeldzame Ingezonden Brieven in Granta begint dan ook aldus: “This is too much. I'm as aware as you are of the sadness, misery and bestiality of the human condition, but you go on and on and on as if there were nothing else.”

Van Louise Erdrich (1954) is er een opgewekter inzettend verhaal, over een non die ingenieus wraak neemt op haar trouweloze ex-man. Adam Mars-Jones (1954) publiceert hier een verhaal uit zijn nieuwe bundel Monopolies of Loss, getiteld "Bears in Mourning'. De Beren rouwen om een lid van hun club, de Berenclub van Harige Dikke Mannen. “He wasn't looking for a wash-board stomach, the sort you can see in the magazines. He was happy with a wash-tub belly like mine.” Mars-Jones is ontroerend grappig over de Club van Beren-Heren, waar natuurlijk ook de slimming-disease (aids) toeslaat. “Goede seks is niet zo Beerachtig, op een of andere manier. Maar wat is nou Beerachtiger dan een vaderlijke man met een huilbui?”

Granta 38, We're So Happy! Penguin Books, 256 blz. ¢8 6,99.