Het wordt weer saai in de wei

Menig reiziger zal het afgelopen zomer vanuit trein of auto zijn opgevallen. Er is iets veranderd op het platteland. Vroeger was het zeer overzichtelijk in de groene weilanden. In het Noordwesten liepen zwartbonte melkkoeien, in het Zuidoosten waren ze roodbont. Maar in korte tijd is dat allemaal veranderd. Tussen de melkkoeien lopen nu runderen van buitenlandse vleesrassen. Egaal gekleurde zwarte-, gele-, bruine- of witte allochtonen zorgden voor een gevarieerder beeld. De vleesveerage is echter weer over haar hoogtepunt heen. De hausse is voorbij nu de opbrengsten van vleesvee sterk zijn teruggelopen.

Het dieptepunt vormde enige tijd geleden een vleesveeveiling in Wythmen. Voor goede vrouwelijke runderen van een jaar oud uit de kruising van een Nederlandse melkkoe en Italiaanse Piemontese-vleesstier waren er geen kopers. Zelfs na de vraag van de veilingmeester om een belachelijk laag bod van 700 gulden bleef het ijselijk stil in de veilinghal. De fraaie zwarte en bruine pinken die vorig jaar nog gemakkelijk 1.700 gulden hadden opgebracht, gingen nu als onverkoopbare waar terug naar hun bazen.

Het leek allemaal zo prachtig met dat vleesvee, maar de lol is er helemaal af. Het avontuur begon in 1984 met de invoering van de superheffing waardoor veehouders minder melk mochten leveren en dus minder melkkoeien konden houden. De koeienboeren in "Nederland zuivelland' gingen niet bij de pakken neerzitten. De lege stalplaatsen en het overtollige gras konden mooi worden benut door vleesvee. Een deel van de melkkoeien kreeg sindsdien geen zwart- of roodbonte partner, maar werd drachtig van een stier van het Italiaanse vleesras Piemontese. Bovendien steeg de belangstelling voor koeien van zuivere vleesrassen.

Het werd steeds mooier in de wei. Naast de degelijke bonte Hollandse melkkoeien verschenen er exotische egaal gekleurde buitenlanders zoals de gele Blonde d'Aquitaine koeien uit het zuidwesten van Frankrijk, de roodbruine Limousins uit de buurt van de Franse stad Limoges ten westen van het Centraal massief en de bijna witte Charolais uit het midden van Frankrijk. Ook de zuiderburen met de machtige bilpartijen, de Belgische Witblauwen, verheugden zich in een groeiende populariteit.

De vleeskoeien met hun weelderige Rubens-figuren hebben het veel makkelijker dan hun schrale Nederlandse soortgenoten. Melkkoeien brengen slaafs twee maal daags grote hoeveelheden zuivel naar de boerderij. Vleeskoeien daarentegen hoeven maar net genoeg melk te geven om hun kalfje gedurende zeven maanden te zogen.

De vooruitzichten waren goed. Door het teruglopen van de Europese rundveestapel werd een geringer aanbod van rundvlees verwacht. De zelfvoorzieningsgraad in Europa voor rundvlees zou volgens verwachting dalen richting honderd procent zodat overschotten en slechte prijzen tot het verleden zouden gaan behoren. Om een te grote daling van de rundvleesproduktie te voorkomen verbeterde de EG in 1989 nog de steunregelingen voor stierenmesters en zoogkoeienhouders. Niemand had rekening gehouden met het vallen van de muur. Dit had tot gevolg dat een groot deel van de laagproduktieve Oostduitse veestapel in het slachthuis belandde. Tegenover dit extra grote aanbod van rundvlees stond een stagnerende afzet. Door de Golfoorlog liep de export naar landen in het Midden-Oosten flink terug. Met name deze twee factoren resulteerden in sterk verlaagde opbrengsten voor producenten van rundvlees.

Ook melkveehouders zijn de dupe. De afgeschreven melkkoeien leveren 500 gulden minder op dan twee jaar geleden, terwijl nuchtere (pasgeboren) kalveren 200 gulden minder in het laatje brengen. De opbrengsten uit vlees (de post omzet en aanwas) is op een gemiddeld gespecialiseerd melkveebedrijf daardoor met minstens 10.000 gulden gedaald. De enthousiast opgestarte neventakken met kruislingen of zuivere vleesrassen leveren door de rundvleescrisis nauwelijks nog inkomsten op of zijn zelfs te verliesgevend.

De schade voor de melkveehouders blijft beperkt. Bij hen gaat het in eerste instantie om de opbrengst uit melk en die is de laatste twee jaar redelijk geweest. De pijn is wel heel groot bij bedrijven die het produceren van rundvlees als hoofdbron van inkomsten hebben. Voor stierenmesters is dit een rampjaar. Het Landbouw Economisch Instituut verwacht dat deze groep veehouders afgelopen boekjaar te maken krijgt met een verlies van 200 gulden per afgeleverde stier. Sommige stierenmesters gaan er in afwachting van betere tijden toe over hun stallen nog maar gedeeltelijk te vullen.

De keerzijde van deze ellende zou zonnig moeten zijn; een goedkope biefstuk. Helaas gaat deze logica niet op. De weg tussen boer en slager of grootwinkelbedrijf is lang en wordt beïnvloedt door vele binnenlandse en buitenlandse ontwikkelingen. Handel en grossiers nemen betere marges dan enige tijd geleden. De slachterijkosten zijn hoger door overcapaciteit, gestegen loonkosten en meer bewerkingen en controles. Het zogenaamde vijfde kwartier (de niet eetbare delen van een slachtrund zoals bij voorbeeld de huid) is in waarde gedaald. Naast vers vlees vindt een belangrijk deel van rundvlees zijn weg naar panklare artikelen, de vleeswaren en de huishoudelijke en de buitenhuishoudelijke markt. De prijs van het slachtrund laat zich niet direct vertalen naar de prijs van een van de eindprodukten. Rundvlees blijft een relatief duur produkt.

In de jaren vijftig waren varkenshouderij en pluimveehouderij nog kleinschalig en was rundvlees zelfs goedkoper dan varkensvlees. Met het dalen van de prijs van varkens- en pluimveevlees is het verbruik gestegen. De consumptie van rundvlees daarentegen stagneert. Het is niet altijd makkelijk te bereiden en het heeft een ouderwets imago.

De verschillen in rundvleesconsumptie tussen landen zijn groot. In de EG bedraagt het gemiddelde 23 kg per hoofd. Nederland blijft daar met 16,8 kg per hoofd onder. Spanje en Portugal blijven met 12 kg nog verder achter terwijl de Bourgondische Fransen met 30 kg per hoofd per jaar de grootste Europese rundvleeseters zijn.

Om vraag en aanbod weer met elkaar in evenwicht te brengen moet de consumptie van rundvlees omhoog. Dit kan door een goede promotie. In Nederland zijn er diverse projecten met merkvlees van start gegaan die zijn gericht op herkenbaarheid en gegarandeerde kwaliteit. Bij de introductie wordt bovendien vaak aandacht besteed aan de herkomst en de dier- en milieuvriendelijke produktiewijze.

Vraag en aanbod komen ook beter met elkaar overeen door een kleinere produktie. De melkveehouders die hun pinken probeerden te verkopen op de vleesveeveiling in Wythmen zullen hieraan hun steentje bijdragen. Voor hen is de lol er af. Zij stoppen met hun vleesveetak. Jammer dat het weer zo saai wordt in de wei.